beschikking RECHTBANK DEN HAAG Team Insolventie – meervoudige kamer verzoeken afkondigen afkoelingsperiode en opheffing beslagen ex artikel 376 van de Faillissementswet (Fw) rekestnummer : C/09/663251 FT RK 24-263 uitspraakdatum : 17 april 2024 beschikking op het ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, van [verzoekster] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: ‘ [verzoekster] ’, advocaten: mr. L.A.C. van Lierop en mr. S. El Hadouchi te Den Haag. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de startverklaring van 9 februari 2024;- het verzoekschrift van 19 maart 2024, met producties, van [verzoekster] strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden en het opheffen van de door [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) gelegde conservatoire beslagen op de bankrekening van [verzoekster] ;- de zienswijze van 3 april 2024 van [bedrijfsnaam 1] ;- de mondelinge behandeling van 3 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die in het griffiedossier zijn gevoegd. 1.2. De verzoeken zijn op 3 april 2024 door middel van een videoverbinding in raadkamer behandeld. Daarbij zijn verschenen: - de heer [naam 1] , indirect bestuurder van [verzoekster] ; - de heer [naam 2] , chief operating officer van [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) en operationeel leidinggevende van [verzoekster] ; - de heer [naam 3] , bedrijfskundig adviseur van [verzoekster] ; - mr. L.A.C. van Lierop, advocaat van [verzoekster] ; - mr. R.N. Nolten, kantoorgenoot van mr. Van Lierop; - mr. N.A.M. Kienhuis, advocaat van [bedrijfsnaam 1] ; - de heer [naam 4] , commercieel directeur van [bedrijfsnaam 1] . 1.3. De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak bepaald op 17 april 2024 met aankondiging dat indien mogelijk de uitspraak bij vervroeging zal worden gedaan. 2De verzoeken en de stellingen van [verzoekster] 2.1. verzoekt de rechtbank om een afkoelingsperiode van vier maanden af te kondigen. Daarnaast wordt verzocht om de door [bedrijfsnaam 1] gelegde conservatoire beslagen op de bankrekening van [verzoekster] op te heffen. Ter onderbouwing van deze verzoeken wordt onder meer het volgende aangevoerd. 2.2. [verzoekster] is onderdeel van een groep vennootschappen waarvan de heren [naam 5] , [naam 6] en [naam 1] (indirect) bestuurder zijn. De activiteiten van [verzoekster] bestaan uit het adviseren en begeleiden bij het verduurzamen van (hoofdzakelijk) woningen. [verzoekster] is voortgekomen uit een doorstart van een faillissement in 2020. Daarna zorgden de impact van de coronacrisis, schommelingen in de energie- en grondstofprijzen alsmede het uitblijven van consistent overheidsbeleid voor tegenvallende resultaten. Hierdoor heeft [verzoekster] een aanzienlijke schuldenlast opgebouwd. Over het boekjaar 2023 is een totaalverlies van € 584.792,73 geleden. Om het tij te keren heeft [verzoekster] sinds eind 2023 een aantal maatregelen genomen. Zo is het managementteam is vervangen. Ook is er in het personeelsbestand gesneden, waardoor de loonkosten met 30% zijn verminderd. Verder is gekozen om met [bedrijfsnaam 2] als vaste uitvoerende partner samen te werken. Dit vertaalt zich onder andere in hogere marges, maar [verzoekster] blijft onder druk staan van de opgebouwde schuldenlast. 2.3. Volgens [verzoekster] is zij in de kern een levensvatbare onderneming, maar zonder een WHOA-akkoord wordt haar voortbestaan bedreigd. [verzoekster] stelt op basis van een door haar overlegde liquiditeitsprognose dat zij in staat is om gedurende vier maanden aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Indien nodig zal [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: de financier), één van de twee bestuurders van [verzoekster] , de lopende verplichtingen, het benodigde werkkapitaal en de akkoordkosten financieren. De financier heeft eerder geld verstrekt in de vorm van leningen, waaronder de geldlening van 5 juni 2020. Daaraan is een pandrecht als zekerheidsstelling verbonden. De pandakte (en een aanvullende pandakte) is op 11 december 2023 geregistreerd. Op basis van het voorgaande stelt [verzoekster] dat zij verkeert in de zogenoemde WHOA-toestand. [verzoekster] zegt toe dat het WHOA-akkoord binnen twee maanden wordt aangeboden. 2.4. [verzoekster] stelt dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de onderneming te kunnen voortzetten tijdens de voorbereiding van een akkoord. [bedrijfsnaam 1] heeft drie maal conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van [verzoekster] . Ook andere schuldeisers dreigen met beslagen en zijn reeds juridische procedures gestart. De verhaalsacties van schuldeisers doorkruisen de pogingen van [verzoekster] om een akkoord te bereiken. Zonder een geslaagd WHOA-akkoord is een faillissement onvermijdelijk. De belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn gediend bij een afkoelingsperiode, omdat zij bij een geslaagd akkoord meer zullen ontvangen dan bij een faillissement. De activa van [verzoekster] zijn namelijk nagenoeg geheel verpand aan de financier, dus bij een faillissement zal er niets resteren voor de concurrente schuldeisers. De belangen van [bedrijfsnaam 1] en andere in artikel 376 lid 2 Fw bedoelde derden worden met een afkoelingsperiode niet wezenlijk geschaad. In geval van faillissement vervalt het beslag van [bedrijfsnaam 1] en zal zij naar verwachting niets ontvangen, terwijl zij bij een WHOA-akkoord wel een uitkering tegemoet kan zien. Met een afkoelingsperiode van vier maanden wordt verzekerd dat de benodigde liquiditeit beschikbaar blijft en dat de lopende verplichtingen kunnen worden nagekomen. 2.5. [bedrijfsnaam 1] heeft drie maal conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van [verzoekster] voor een bedrag van € 27.650,-. De beslagen hebben het banksaldo getroffen voor een bedrag van € 52.473,27. Hierdoor staat de liquiditeit onder druk en wordt het voortbestaan van [verzoekster] bedreigd. Het is daarom noodzakelijk dat de conservatoire beslagen worden opgeheven. 3De zienswijze van [bedrijfsnaam 1] 3.1. kan zich niet verenigen met de verzoeken van [verzoekster] . Zij acht een afkoelingsperiode niet noodzakelijk om de onderneming voort te kunnen zetten, omdat er afgelopen maanden geen sprake is geweest van concrete verhaalsacties danwel faillissementsverzoeken. Het afkondigen van een afkoelingsperiode is niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers, omdat [bedrijfsnaam 1] er geen vertrouwen in heeft dat binnen een redelijke termijn een akkoord tot stand komt. Verder betwijfelt [bedrijfsnaam 1] of [verzoekster] een levensvatbare onderneming is, mede vanwege het ontbreken van financiële gegevens. 3.2. Opheffing van de beslagen zou voor [bedrijfsnaam 1] grote gevolgen hebben. Zij is dan haar zekerheid tot betaling van haar vorderingen kwijt. Verder wijst zij op het feit dat de financier pas in december 2023 een pandrecht op de activa van [verzoekster] heeft gevestigd en geregistreerd. 4De beoordeling Rechtsmacht, bevoegdheid en procedure 4.1. De onderhavige verzoeken zijn verzoeken op basis van de tweede afdeling van titel IV van de Faillissementswet (Homologatie van een onderhands akkoord, artikel 369 e.v. Fw). De verzoeken van [verzoekster] zien op het afkondigen van een – eerste – afkoelingsperiode en het opheffen van beslagen die ten laste van [verzoekster] zijn gelegd (artikel 376 Fw). 4.2. [verzoekster] is statutair gevestigd in [plaatsnaam] en zij oefent daar haar onderneming uit. Daarmee is de rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank Den Haag om de verzoeken te behandelen gegeven. Deze rechtbank is bevoegd om van alle verdere verzoeken in de procedure kennis te nemen. 4.3. Volgens de gedeponeerde startverklaringen en het ingediende verzoekschrift kiest [verzoekster] voor een besloten akkoordprocedure. Nu zij de keuze heeft gemaakt voor een besloten akkoordprocedure zijn de verzoeken in raadkamer behandeld. 4.4. De besloten akkoordprocedure en de bevoegdheid van de rechtbank liggen hiermee voor de verdere akkoordprocedure vast. De afkoelingsperiode 4.5. [verzoekster] heeft op 9 februari 2024 een startverklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd. [verzoekster] heeft toegezegd dat zij binnen een termijn van twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw zal aanbieden. [verzoekster] kan dan ook worden ontvangen in haar verzoeken. 4.6. Uit artikel 376 lid 4 Fw volgt dat een verzoek tot het afkondigen van een afkoelings-periode zal worden toegewezen indien summierlijk blijkt dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.