← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:575

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 71/122211-22 Datum uitspraak: 22 januari 2024 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [adres] op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan. Onderzoeksnaam: 26Vescher Inhoudsopgave

  1. Het onderzoek ter terechtzitting 3
  2. De tenlastelegging 3
  3. De geldigheid van de dagvaarding 4
  4. Rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank 4
  5. De ontvankelijkheid van de officieren van justitie 4
  6. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies 5 6.
  7. Inleiding 5 6.
  8. Het standpunt van de officieren van justitie 5 6.
  9. Het standpunt van de verdediging 6 6.
  10. Bewijsmiddelen 7 6.4.
  11. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies met betrekking tot de situatie in Syrië in de ten laste gelegde periode 7 6.4.
  12. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies t.a.v. de positie van de verdachte 21 6.4.
  13. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusie met betrekking tot de vrijheidsbeneming van [slachtoffer 1] 26 6.4.
  14. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusie met betrekking tot de marteling en foltering van [slachtoffer 1] 29
  15. Feit 1: het misdrijf tegen de menselijkheid wederrechtelijke vrijheidsberoving 31 7.
  16. Inleiding 31 7.
  17. Het standpunt van het Openbaar Ministerie 31 7.
  18. Het standpunt van de verdediging 31 7.
  19. De beoordeling van de tenlastelegging 32 7.4.
  20. De beoordeling 32 7.4.
  21. De bewezenverklaring 34
  22. Feit 2 en 3: foltering en het misdrijf tegen de menselijkheid marteling 34 8.
  23. De beoordeling van de tenlastelegging 34 8.1.
  24. De bewezenverklaring 36
  25. Vrijspraak feiten 4, 5 en 6 37
  26. Feit 7: deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid 38 10.
  27. Het standpunt van het Openbaar Ministerie 38 10.
  28. Het standpunt van de verdediging 38 10.
  29. De beoordeling van de tenlastelegging 39 10.3.
  30. Organisatie 40 10.3.
  31. Oogmerk plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid 42 10.3.
  32. Deelneming 44 10.3.
  33. Conclusie 44 10.3.
  34. De bewezenverklaring t.a.v. feit 7 44
  35. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde 45
  36. De strafbaarheid van de verdachte 45 12.
  37. Het standpunt van de officieren van justitie 45 12.
  38. Het standpunt van de verdediging 45 12.
  39. Het oordeel van de rechtbank 45
  40. De strafoplegging 47 13.
  41. De vordering van de officieren van justitie 47 13.
  42. Het standpunt van de verdediging 47 13.
  43. Het oordeel van de rechtbank 47
  44. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel 49 14.
  45. Het standpunt van de officier van justitie 50 14.
  46. Het standpunt van de verdediging 50 14.
  47. Het oordeel van de rechtbank 50
  48. De toepasselijke wetsartikelen 52
  49. De beslissing 53 Bijlage I: de tekst van de (d.d. 4 december 2024 gewijzigde) tenlastelegging 55 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 augustus 2022, 31 oktober 2022, 27 januari 2023, 20 april 2023, 13 juli 2023, 2 oktober 2023 (alle pro forma), 30 november 2023 en 4 december 2023 (beide inhoudelijke behandeling). Op 8 januari 2024 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. M. Blom en mr. J.M. Stad, en van hetgeen door de verdachte, zijn raadslieden, mr. A.M. Seebregts en mr. N.F. Christiansen, en de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , mr. B. van Straaten, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tenlastelegging is gewijzigd op de terechtzittingen van 27 januari 2023 en 4 december
  50. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd wordt de verdachte ervan verdacht dat hij zeven feiten heeft gepleegd, te weten:
  51. Primair: medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] ; Subsidiair: medeplichtigheid aan het misdrijf tegen de menselijkheid wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] ;
  52. Medeplegen van medeplichtigheid aan foltering van [slachtoffer 1] ;
  53. Medeplegen van medeplichtigheid aan het misdrijf tegen de menselijkheid marteling van [slachtoffer 1] ;
  54. Medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] ;
  55. Medeplegen van medeplichtigheid aan foltering van [slachtoffer 2] ;
  56. Medeplegen van medeplichtigheid aan het misdrijf tegen de menselijkheid marteling van [slachtoffer 2] ;
  57. Deelname aan een criminele organisatie, te weten shabiha groepen uit het Al-Nayrab kamp en/of de pro-regime militie Liwa al-Quds, die tot oogmerk heeft het plegen van internationale misdrijven, namelijk: - lichamelijke geweldpleging, arbitraire detentie en plundering als oorlogsmisdrijven, en/of andere oorlogsmisdrijven; en - ernstige vrijheidsberoving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht als misdrijf tegen de menselijkheid, en/of andere misdrijven tegen de menselijkheid, terwijl de verdachte daar leider, oprichter en/of bestuurder van was. 3De geldigheid van de dagvaarding Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van de in de tenlastelegging onder feit 7 opgenomen zinsneden “en/of andere oorlogsmisdrijven” en “en/of andere misdrijven tegen de menselijkheid” onvoldoende concreet is. Het kan, gelet op de algemene aard van deze bewoordingen en de omvang van het dossier, niet van de verdachte worden verwacht dat hij zich ten aanzien van deze zinsneden op adequate wijze verdedigt. Dit brengt mee dat de dagvaarding ten aanzien van deze onderdelen niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De dagvaarding zal ten aanzien van deze onderdelen dan ook nietig worden verklaard. De rechtbank verklaart de dagvaarding voor het overige geldig, zodat de daarin opgenomen tenlastegelegde feiten inhoudelijk kunnen worden beoordeeld. 4Rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank De verdachte wordt verweten dat hij in 2012 dan wel 2013 betrokken is geweest bij foltering, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in Syrië. Deze feiten zijn strafbaar gesteld in de Wet internationale misdrijven (hierna: Wim). Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij in de periode 2011 tot en met 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). In artikel 1, vierde lid, van de Wim is bepaald dat artikel 140 Sr wordt gelijkgesteld met een in de Wim omschreven misdrijf, voor zover het misdrijf betrekking heeft op een misdrijf als omschreven in de artikelen 3 tot en met 8b van de Wim. De verdachte is in 2020 naar Nederland gereisd en verblijft sindsdien hier te lande. Krachtens artikel 2, eerste lid, onder a van de Wim is de Nederlandse strafwet van toepassing op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan misdrijven uit die wet wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt. Nu de verdachte zich ten tijde van de aanhouding in Nederland bevond, stoelt de rechtsmacht in deze zaak op de hiervoor genoemde bepaling. Er is daarmee sprake van toepassing van (secundaire) universele rechtsmacht. De rechtbank Den Haag is ingevolge artikel 15 van de Wim exclusief bevoegd kennis te nemen van de ten laste gelegde misdrijven. 5De ontvankelijkheid van de officieren van justitie De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk zijn in de vervolging van de verdachte voor deelname aan een criminele organisatie (feit 7), omdat – kort gezegd – deelname aan een criminele organisatie geen strafbaar feit is in het internationaal strafrecht en vervolging in strijd is met het legaliteitsbeginsel. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de tenlastelegging ziet op strafbare feiten ten aanzien waarvan (secundaire) universele rechtsmacht aangenomen kan worden. De Nederlandse strafrechter hanteert de strafbepalingen die in de Nederlandse wet zijn vervat, in dit geval artikel 1, vierde lid van de Wim juncto artikel 140 Sr. De rechtbank verwerpt gelet hierop het verweer dat deelname aan een criminele organisatie zoals omschreven in feit 7 geen strafbaar feit is en tot niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie in de vervolging dient te leiden. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de strafvervolging voor de verdachte niet voorzienbaar was, en daarmee een beroep op rechtsdwaling of feitelijke dwaling heeft willen doen, overweegt de rechtbank dat de beoordeling van dat verweer van materiële aard is en een feitenvaststelling vergt en – indien het slaagt – dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte. De rechtbank zal dit verweer dan ook bespreken na de vaststelling van de feiten, namelijk in hoofdstuk
  58. De rechtbank ziet overigens geen vervolgingsbeletselen. De officieren van justitie zijn dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. 6Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies 6.
  59. Inleiding Het opsporingsonderzoek tegen de verdachte is gestart naar aanleiding van op 2 oktober 2020 verstuurde e-mails gericht aan het Team Internationale Misdrijven van de Landelijke Eenheid van de politie. In de e-mails wordt melding gedaan dat de verdachte zich in Nederland bevindt, dat hij betrokken zou zijn geweest bij de gewapende groepering Liwa al-Quds en dat hij in die hoedanigheid betrokken zou zijn geweest bij misdrijven. In het onderhavige opsporingsonderzoek genaamd ‘26Vescher’ is naar de verdachte (nader) onderzoek gedaan. De verdachte is op 24 mei 2022 aangehouden door de politie. De rechtbank zal in dit hoofdstuk tot feitelijke vaststellingen komen. Op basis daarvan zal de rechtbank in dit hoofdstuk ook in (tussen)conclusies tot juridische kwalificaties komen. Dat betreft conclusies over de aard van het gewapend conflict en de toepasselijkheid van het internationaal humanitair oorlogsrecht (6.4.1.15.); over de schaal en aard van de aanval op de burgerbevolking (6.4.1.16.); de verhouding tussen shabiha groepen en Liwa al-Quds (6.4.1.
  60. en 6.4.1.14.); de positie van de verdachte binnen Liwa al-Quds (6.4.2.2.); de aard van de betrokkenheid van de verdachte bij de vrijheidsbeneming van [slachtoffer 1] (6.4.3.2.); de aard van de betrokkenheid van de verdachte bij de marteling en foltering van [slachtoffer 1] (6.4.4.2.). Verwijzing naar bewijsmiddelen geschiedt in voetnoten. Voorts wordt in eindnoten verwezen naar literatuur en jurisprudentie. 6.
  61. Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte in de ten laste gelegde periode lid was van een shabiha groep en van een gewapende groepering genaamd Liwa al-Quds die met het Syrische regime samenwerkten. In die hoedanigheid is de verdachte samen met anderen betrokken geweest bij de aanhouding van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] of [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), die na hun aanhouding overgedragen zijn aan de Syrische Luchtmacht Inlichtingendienst waar zij in een gevangenis van die dienst zijn gefolterd en gemarteld. De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair en van het onder feit 2 tot en met 7 tenlastegelegde. 6.
  62. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte in het geheel niet aanwezig was bij de aanhouding van [slachtoffer 2] (feit 4) en dat er daarom ook geen bewijs is voor zijn betrokkenheid bij de marteling en foltering van [slachtoffer 2] door de Syrische Luchtmacht Inlichtingendienst (feiten 5 en 6). Ten aanzien van foltering en het misdrijf tegen de menselijkheid marteling is door de verdediging betoogd dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] bij de LID terecht zou komen. In het Al-Nayrab kamp waren meerdere veiligheidsdiensten en reguliere politie aanwezig. Uit het dossier blijkt niet dat iedereen die door Liwa al-Quds werd aangehouden bij de LID terecht kwam. Dat [slachtoffer 1] bij de LID terecht zou komen, kan ook niet afgeleid worden uit de aanwezigheid van een LID-officier bij de aanhouding. Het is immers onduidelijk gebleven of er iemand van de LID bij de aanhouding aanwezig was. Ten aanzien van feit 1 en subsidiair ten aanzien van feit 4 is door de verdediging bepleit dat de verdachte niet wist dat de aanhoudingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] arbitrair waren, noch dat hij wist dat deze aanhoudingen onderdeel waren van een wijdverbreide of stelselmatige aanval op de burgerbevolking. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 en subsidiair ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft de verdediging bepleit dat de verdachte niet betrokken was (ook niet in samenwerking met anderen) bij de overdracht van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan de Syrische Luchtmacht Inlichtingendienst. Ten aanzien van feit 7 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van lidmaatschap van shabiha groepen. De verdachte heeft immers ontkend dat hij deel heeft uitgemaakt van een shabiha groep. Daarnaast is door de verdediging betoogd dat de verdachte niet als leider van Liwa al-Quds kan worden aangemerkt. Het dossier biedt juist aanknopingspunten dat de rol van de verdachte beperkt was tot uitvoerende handelingen. Ook heeft de verdediging betoogd dat de verklaringen van [getuige 2] niet betrouwbaar zijn ten aanzien van de vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Deze verklaringen bevatten immers belangrijke tegenstrijdigheden en bovendien is het mogelijk dat hetgeen waarover de getuige verklaart aan haar is verteld en niet slechts eigen waarnemingen betreft. 6.
  63. Bewijsmiddelen Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) dan wel de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer LERFA21004 van het Team Internationale Misdrijven van de Landelijke Eenheid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 2316). In het opsporingsdossier worden namen van personen en plaatsen op verschillende wijze geschreven. Hieronder wordt een overzicht gegeven van een aantal van deze verschillende schrijfwijzen en wordt weergegeven waarnaar en naar wie – naar de rechtbank begrijpt – wordt verwezen. In dit vonnis wordt telkens deze laatst genoemde schrijfwijze gehanteerd om naar de betreffende persoon te verwijzen. - Met [getuige 1] en [getuige 1] begrijpt de rechtbank dat wordt verwezen naar dezelfde persoon. De rechtbank zal naar deze persoon verwijzen met “ [getuige 1] ”. - Met [naam 1] , [naam 1] of [naam 1] of [naam 1] , of gelijksoortige benamingen begrijpt de rechtbank dat wordt verwezen naar dezelfde persoon. De rechtbank zal naar deze persoon verwijzen met “ [naam 1] ”. - Met [naam 2] , [naam 2] of [naam 2] , [naam 2] begrijpt de rechtbank dat wordt verwezen naar dezelfde persoon. De rechtbank zal naar deze persoon verwijzen met “ [naam 2] ”. - Met [naam 3] , [naam 3] , [naam 3] , [naam 3] , [naam 3] , [naam 3] , [naam 3] of [naam 3] of [naam 3] begrijpt de rechtbank dat wordt verwezen naar dezelfde persoon. De rechtbank zal naar deze persoon verwijzen met “ [naam 3] ”. - Met [naam 4] en [naam 4] begrijpt de rechtbank dat wordt verwezen naar dezelfde persoon. De rechtbank zal naar deze persoon verwijzen met “ [naam 4] ”. - Met [naam 5] of [naam 5] begrijpt de rechtbank dat wordt verwezen naar dezelfde persoon. De rechtbank zal naar deze persoon verwijzen met “ [naam 5] ”. - Met Al-Neyrab, Al-Nayrab en al Nayrab begrijpt de rechtbank dat wordt verwezen naar dezelfde plaats. De rechtbank zal naar deze plaats verwijzen met “Al-Nayrab”. - Met Deir Ezzor, Deir al-Zour en Deir ez-Zor begrijpt de rechtbank dat wordt verwezen naar dezelfde plaats. De rechtbank zal naar deze plaats verwijzen met “Deir ez-Zor”. 6.4.
  64. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies met betrekking tot de situatie in Syrië in de ten laste gelegde periode In het dossier bevinden zich twee rapporten met de titels ‘Liwa al-Quds’ (hierna: rapport I) en ‘De Syrische Luchtmacht Inlichtingendienst (LID) en het Syrische Conflict met name in Aleppo’ (hierna: rapport II) opgesteld door dr. R. Leenders (hierna: Leenders). In deze rapporten wordt ingegaan op het conflict in Syrië, de betrokkenen bij dit conflict, Liwa al-Quds en de Luchtmacht Inlichtingendienst (hierna: LID). De rapporten zijn gebaseerd op literatuur en openbare bronnen, zoals rapportages van mensenrechtenorganisaties, nieuwsberichten en sociale media. De rechtbank stelt op basis van deze rapporten en de daarin opgenomen openbare bronnen alsmede op basis van getuigenverklaringen afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris het volgende vast. 6.4.1.
  65. De situatie in Syrië in 2011 In maart 2011 brak in Syrië een opstand uit om hervormingen af te dwingen bij het regime van president Assad. Er vormden zich verschillende rebellengroeperingen en in juni 2011 vond de eerste gewapende confrontatie plaats tussen rebellengroeperingen en het Syrische leger. Het begin van de grootschalige gewapende oppositie in Syrië werd gemarkeerd met de oprichting van het Vrije Syrische Leger (hierna: het VSL) in juli
  66. Alhoewel het VSL uit verschillende rebellengroeperingen bestond, voerde het gezamenlijke militaire operaties uit, bracht het een gedragscode uit en richtte het een Supreme Military Council op om een commandostructuur vorm te geven. In september en oktober 2011 werd in de media gerapporteerd over de eerste gewapende confrontaties tussen het Syrische leger en het VSL. 6.4.1.
  67. Pro-regime milities Het regime probeerde de roep om hervormingen met grof geweld de kop in te drukken. Onder andere gelet op een tekort aan reguliere mankrachten, leunde het regime daarbij zwaar op groepen bestaande uit lokale sympathisanten om de demonstraties met harde hand te onderdrukken. Deze lokale sympathisanten werden shabiha’s genoemd. Binnen enkele maanden na de opstand begonnen de shabiha groepen zich op instructie van en met behulp van de veiligheidsdiensten beter te organiseren in zogenaamde “volkscomités” (lijan sha’biyya). Het regime voorzag de volkscomités van wapens en middelen om nieuwe leden te ronselen en deze in te zetten tegen voornamelijk ongewapende demonstranten en activisten. In 2011 rapporteert de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Verenigde Naties (hierna: IICISAR) dat het aantal shabiha’s die door het Syrisch regime bewapend werden, rond de 10.000 burgers betrof. Vanaf de kant van het regime was sprake van een toename van gebruik van dodelijk geweld tegen demonstranten. Het regime liet op grote schaal demonstranten arresteren, martelen en vermoorden. De IICISAR heeft gerapporteerd dat in de periode van 15 maart 2011 tot 15 februari 2012 6.399 burgers en 1.680 deserteurs zijn gedood, dat sinds het najaar in 2011 het geweld is geëscaleerd en dat het regime scherpschutters en mortieren heeft ingezet tegen burgers. De IICISAR heeft gevallen van marteling sinds 2011 gedocumenteerd in 38 met name genoemde detentielocaties. Omdat een groot aantal burgers buiten de formele procedures om wordt aangehouden, kan een exact getal van burgers dat zich in detentie bevindt niet worden gegeven. Het Violations Documenting Centre noemt meer dan 18.000 gevangenen op het moment van rapportage in februari
  68. In de periode daarna zijn veelvuldig grootschalige militaire operaties tussen de betrokkenen uitgevoerd, waarbij gebruik werd gemaakt van militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie. Volgens de IICISAR waren in 2019 als gevolg van het Syrisch conflict 6,7 miljoen burgers gevlucht en raakten 6,2 miljoen burgers ontheemd. De volkscomités en shabiha groepen speelden bij de gewelddadige onderdrukking een grote rol. In vrijwel alle periodieke verslagen van de IICISAR sinds 2012 en rapporten opgesteld door mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International en Human Rights Watch en andere gerenommeerde internationale organisaties en onderzoekers, wordt melding gemaakt van ernstige mensenrechtenschendingen waarvoor pro-regime milities verantwoordelijk of bij betrokken waren. In de periode dat de vreedzame opstand zich ontwikkelde tot een gewapende opstand transformeerden veel volkscomités zich tot quasi-autonome milities die op lokaal niveau of door het gehele land rebellengroepen bestreden, in samenwerking met de reguliere strijdkrachten. In de meeste gevallen werden deze milities aangestuurd door de verschillende branches van de veiligheidsdiensten en werden zij van wapens en munitie voorzien door de reguliere strijdkrachten. Financiële middelen werden veelal geworven door middel van plundering, smokkel, kidnapping voor losgeld, afpersing en het heffen van accijnzen bij checkpoints. Daarnaast werd steun ontvangen van aan het regime gelieerde zakenlieden. Uit het rapport I blijkt dat bij vrijwel alle belangrijke veldslagen en keerpunten van het conflict de pro-regime milities onmisbaar bleken in de herovering van grondgebied op de rebellen, met als resultaat dat het regime de belangrijkste delen van het land in handen kreeg. Dat voornamelijk pro-regime milities deze overwinningen mogelijk maakten, en daarmee het regime in het zadel hielden, blijkt ook uit schattingen dat het leeuwendeel van het aantal gesneuvelde strijders aan de zijde van het regime sinds 2014 deel uitmaakte van zulke pro-regime milities. 6.4.1.
  69. Ontstaan van de shabiha groepen vanuit de kampen Al-Nayrab en Handarat De eerste gewapende pro-regime groepen in de Palestijnse Al-Nayrab en Handarat kampen werden gevormd in het najaar van
  70. Deze groepen ontwikkelden zich binnen enkele maanden tot gewapende milities met honderden leden die werden geleid door een klein aantal individuen die weliswaar met elkaar samenwerkten, maar ieder een eigen groep aanstuurden. Een aantal van de bekendste shabihaleiders waren: [naam 6] , [naam 2] , [naam 1] , [naam 3] en (later) [naam 4] . De leden van deze groepen waren inwoners van de kampen Al-Nayrab en Handarat. Volgens de leiders van de shabiha groepen was de bestaansreden van deze shabiha groepen gelegen in de noodzaak om de inwoners van de kampen Al-Nayrab en Handarat te beschermen tegen een dreiging van rebellengroepen rondom de kampen. Niettemin waren de shabiha groepen ook ver buiten de kampen betrokken bij het neerslaan van demonstraties. De onrust in en rondom Aleppo bood de shabiha groepen en de leiders daarvan in het bijzonder, een mogelijkheid om politieke invloed in de kampen en daarbuiten te vergroten en deze voor lucratieve doeleinden aan te wenden. Vooral de carrière van [naam 1] en zijn activiteiten in de corrupte bouwsector van Aleppo voor 2011 suggereren een duidelijk financiële motivatie. Hierbij kan ook gewezen worden op de wijze waarop hij en andere leiders van Liwa al-Quds later hun gewonnen machtspositie aangrepen om zichzelf te verrijken door middel van plundering, smokkelpraktijken, afpersing en in beslagname van bezittingen van hun tegenstanders. Er ontstond daarmee een nieuwe shabiha elite ter vervanging van de traditionele Palestijnse politieke facties. Lidmaatschap van deze elite was, gelet op de slechte sociaaleconomische omstandigheden binnen de Palestijnse vluchtelingenkampen en het inkomen dat door deelname aan shabiha groepen werd geboden, voor jongeren uit de vluchtelingenkampen aantrekkelijk. 6.4.1.
  71. De Syrische opstand in Aleppo De Syrische opstand bereikte de stad Aleppo pas in een laat stadium. De meeste demonstraties in 2011 waren relatief kleinschalig en vonden plaats in en rondom de universiteit van Aleppo en in een aantal moskeeën. Begin 2012 begonnen de demonstraties grotere vormen aan te nemen en zich uit te breidden naar vooral het oostelijke gedeelte van de stad. Zo vonden er in 2012 massademonstraties plaats in de oostelijke wijken van Aleppo, waar het regime met geweld op reageerde. Toen hadden zich op het platteland al gewapende rebellengroepen gevormd, waaronder facties van het VSL, Liwa al-Fatah en Liwa al-Tawhid. Al snel begonnen gewapende groepen de demonstraties te vergezellen, naar eigen zeggen om deze te beschermen tegen Syrische veiligheidstroepen en shabiha groepen. In juli 2012 rukten verschillende rebellengroepen op naar het oostelijke deel van de stad Aleppo en begonnen wat zij noemden de “Slag om Aleppo”. Zware gevechten braken uit met als gevolg een patstelling en de tweedeling van de stad tot
  72. Het westelijke gedeelte van de stad werd in deze periode gecontroleerd door regimetroepen en hun bondgenoten en het oostelijke gedeelte door verschillende rebellenfacties. 6.4.1.
  73. De Syrische Luchtmacht Inlichtingendienst Reeds vóór de Syrische opstand in maart 2011 ontwikkelde de LID zich tot een veiligheidsdienst die door middel van langdurige arbitraire detentie, foltering, marteling en verdwijningen een belangrijke steunpilaar werd voor het onderdrukken van elke vorm van oppositie in Syrië. De banden met de Assad-familie waren hecht en werden versterkt door het feit dat de leidinggevenden van de LID vrijwel allemaal afkomstig zijn uit de geboortestreek van de Assad-familie en behoren tot de Alawitische bevolkingsgroep, waartoe ook de huidige president en zijn vader behoren. Binnen het Syrische veiligheidsapparaat gold de LID als de meest gevreesde en actieve veiligheidsdienst. De LID opereerde in heel Syrië en was georganiseerd in branches en afdelingen, die elk beschikten over eigen gevangenissen waar systematisch werd gemarteld. Volgens het Syrian Network for Human Rights zijn tussen het begin van de Syrische opstand en augustus 2023 ruim 135.000 personen gearresteerd en door de inlichtingendiensten voor lange tijd vastgehouden dan wel nooit meer vrijgelaten. Dit aantal komt overeen met ongeveer 6 procent van de gehele Syrische bevolking. Bij het uitbreken van de opstand in maart 2011 werd door het regime direct teruggegrepen op de verschillende inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waaronder de LID, om de opstand hardhandig de kop in te drukken. Binnen het regime werd een ‘Central Crisis Management Cel’ (hierna: Crisis Cel) gevormd, waarin de belangrijkste kopstukken zoals de minister van Defensie en de hoofden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van het regime deelnamen. De Crisis Cel gaf instructies om demonstraties met harde hand neer te slaan, stuurde legertroepen en veiligheidsdiensten aan in het gebruik van geweld tegen opstandelingen en speelde een actieve rol in de aanmoediging, mobilisatie en bewapening van volkscomités. Het ongelimiteerd gewelddadig optreden was volgens de Crisis Cel de enige manier om het regime in het zadel te houden. De besluiten van de Crisis Cel werden via de lokale branches van de veiligheidsdiensten uitgevoerd. De LID nam daarnaast vanaf 2012 het initiatief om pro-regime milities te vormen, waaronder in de kampen in Aleppo, om zo te kunnen beschikken over een aanzienlijke hoeveelheid manschappen die konden worden ingezet om de opstand te bestrijden en de burgerbevolking angst aan te jagen en leed toe te brengen. 6.4.1.
  74. Rol van de LID in Aleppo en de kampen Al-Nayrab en Handarat De LID in Aleppo beschikte over verschillende detentiecentra, waaronder een detentiecentrum op het vliegveld van Al-Nayrab dat werd geleid door veiligheidschef [naam 5] . Leenders beschrijft in zijn rapport hoe de LID een belangrijke rol speelde bij de vorming van volksmilities in de Al-Nayrab en Handarat kampen, waaruit Liwa al-Quds ontstond. Zo was [naam 1] al voor 2011 vertrouwenspersoon van de LID in Aleppo en het belangrijkste contact van de LID in het Al-Nayrab kamp. [naam 2] legde in een interview in april 2017 uit dat, nadat zij groen licht van de LID hadden gekregen om zich te bewapenen en uit te breiden, kleine shabiha groepen aan de slag gingen. Zo ontvingen hijzelf, [naam 1] en [naam 3] op individuele basis wapens of kochten ze deze uit het wapendepot op het vliegveld van Al-Nayrab. Al snel werd het kamp overspoeld met wapens en zetten de shabiha groepen verschillende checkpoints op rondom en binnen het kamp. Hierdoor verkreeg [naam 1] een hechte band met het hoofd van de LID in Aleppo, [naam 7] en diens ondergeschikte [naam 5] . [naam 1] kreeg daarmee een invloedrijke positie in het kamp door op zijn beurt, al dan niet tegen betaling, voor kampbewoners als tussenpersoon (simsar) op te treden en zijn connecties (wasta) met de LID te gebruiken voor het verkrijgen van allerlei gunsten, diensten en privileges. Naast het leveren van wapens zou de LID ook het door milities aantrekken van rekruten hebben gefinancierd. Ook GT089175 heeft verklaard over de band van [naam 1] met de LID. Volgens deze getuige hadden [naam 1] en [naam 2] connecties met het regime en waren deze banden erg nauw. Zij hadden volgens deze getuige de opdracht gekregen om een groep te vormen om op te treden tegen de demonstranten. Zij begonnen daarom mensen te rekruteren, meer specifiek “gespierde, sterke en jonge mannen die harteloos waren”. Zij gingen vervolgens optreden tegen demonstranten bij de universiteit van Aleppo en de omringende wijken. 6.4.1.
  75. De gevolgen van het conflict voor de Palestijnse vluchtelingenkampen Al-Nayrab en Handarat In de eerste jaren van het conflict werd in de beide kampen een afwachtende houding aangenomen, hetgeen zich uitte in een overwegend neutrale opstelling met als doel de kampen zo min mogelijk te betrekken in het conflict in Syrië. In het kamp Al-Nayrab probeerde een lokale coördinatiegroep, gevormd door lokale leiders van Palestijnse facties, in juli 2012 de neutraliteit te handhaven door anti-regime demonstraties te verbieden en door pro-regime groeperingen die gewapenderwijs het kamp tegen oprukkende rebellen wilden “beschermen” te manen zich niet buiten het kamp te begeven, laat staan regimetroepen te helpen in het neerslaan van demonstraties in Aleppo. Vanwege de geografische ligging van de kampen – nog geen kilometer verwijderd van het civiele en militaire vliegveld van Aleppo – en het escalerend conflict kregen de kampen een strategische betekenis waardoor de neutrale opstelling in het geding kwam. Vanaf 2012 begonnen de rebellengroepen zich richting het vliegveld te bewegen. Voor zowel de rebellen als het regime was het kamp Al-Nayrab een belangrijke schakel om controle te krijgen over het vliegveld van Aleppo. Reguliere regimetroepen bivakkeerden op het vliegveld en de LID coördineerde vanaf daar de militaire operaties tegen de rebellen. In april 2013 vielen de rebellen het kamp Handarat binnen. Het vliegveld en het kamp Al-Nayrab werden vervolgens door de rebellen belegerd, maar hun aanhoudende pogingen om het vliegveld in te nemen, mislukten en ook het kamp Al-Nayrab bleef in handen van het regime. 6.4.1.
  76. Ontwikkeling van shabiha groepen naar Liwa al-Quds Zowel [naam 1] alsook [naam 2] hebben bevestigd dat de kleinere gewapende groepen in de kampen geleidelijk aan samenvloeiden in Liwa al-Quds. In feite hield de oprichting van Liwa al-Quds in dat verschillende shabiha groepen hun activiteiten voortzetten onder een nieuwe naam met een formeel aangesteld verenigd leiderschap. Dat de oprichting van Liwa al-Quds een herstructurering was, blijkt ook uit de grote mate van continuïteit tussen Liwa al-Quds en de shabiha groepen. Zo bleven vrijwel alle shabiha- leiders die voor de oprichting van Liwa al-Quds een prominente rol in de organisatie speelden dit ook na de oprichting doen. Daarnaast bleven ook de nauwe banden tussen de leiders van de shabiha groepen/Liwa al-Quds en de LID bestaan. Uit een publicatie van de mensenrechtenorganisatie Zaman al-Wasl van september 2013 en de vele foto’s van [naam 5] met de commandanten van Liwa al-Quds (waaronder [naam 2] ) blijkt van die nauwe band. De nauwe samenwerking blijkt ook uit het feit dat gedurende de belegering van oost-Aleppo Liwa al-Quds het LID hoofdkwartier in al-Zahraa, Aleppo stad gebruikte als haar voornaamste militaire basis in de stad. De hechte relaties van Liwa al-Quds met de LID waren in de eerste jaren van de organisatie essentieel voor de bewapening, organisatie en training van de groep. Dit wordt bevestigd door getuige GT202650 die heeft verklaard dat Liwa al-Quds financieel overwegend leunde op de LID, naast de inkomsten uit de diefstallen die zij pleegde in de plaatsen die zij binnenviel. Destijds werd zeer weinig ruchtbaarheid aan de oprichting van Liwa al-Quds gegeven. Pas later is door [naam 1] aangegeven dat Liwa al-Quds op 6 oktober 2013 was opgericht in het kamp Al-Nayrab. Er zijn evenwel sterke aanwijzingen dat Liwa al-Quds al vóór 6 oktober 2013 is opgericht. [naam 6] , de shabihaleider die in september 2012 werd gedood, wordt door Liwa al-Quds opgevoerd als haar “eerste martelaar” en op 3 oktober 2021 is op de officiële Facebook pagina van Liwa al-Quds een uitnodiging geplaatst voor de viering van het 10-jarig bestaan op 6 oktober
  77. Dit duidt er op dat het samenvloeien van de shabiha groepen in Liwa al-Quds eerder heeft plaatsgevonden dan oktober
  78. 6.4.1.
  79. Tussenconclusie van de rechtbank met betrekking tot Liwa al-Quds Uit de hiervoor weergegeven feitelijke vaststellingen volgt dat de acties van de shabiha groepen uit de kampen Al-Nayrab en Handarat feitelijk kunnen worden toegeschreven aan en gezien moeten worden als acties van Liwa al-Quds als overkoepelende groep. 6.4.1.
  80. Ontwikkeling van Liwa al-Quds tot paramilitaire infanteriedivisie Liwa al-Quds ontwikkelde zich tot een van de meest trouwe bondgenoten van het Syrische regime door haar deelname aan de onderdrukking van demonstraties, de vervolging van activisten van de oppositie in Aleppo en vervolgens door significante, militaire bijstand te verlenen in de meeste veldslagen sinds
  81. Liwa al-Quds groeide vanaf 2014 uit tot een strak georganiseerde militie met vertakkingen in het gehele land. Het leiderschap van Liwa al-Quds bleef echter gevestigd in Aleppo, met een hoofdkantoor in zowel het kamp Al-Nayrab, geleid door [naam 2] , als in de wijk Hamdaniya in Aleppo stad, geleid door [naam 1] . Liwa al-Quds en haar shabiha voorgangers evolueerden daarmee van een groep die betrokken was bij het neerslaan van vreedzame protesten in Aleppo tot een gewapende militie en infanterie-eenheid gericht op de strijd tegen de rebellen. Aanvankelijk bestond Liwa al-Quds dan ook uit enkele honderden strijders, maar binnen korte tijd wist het zich te ontwikkelen tot een geduchte paramilitaire infanteriedivisie met tot aan 5.500 manschappen in
  82. Tot 2016-2017 richtten de militaire operaties van de groep zich op de directe omgeving van het kamp Al-Nayrab, de stad Aleppo en de omliggende gebieden op het platteland van de provincie Aleppo. Liwa al-Quds werd daarna op vrijwel alle actieve fronten in het land ingezet. De groep vroeg regelmatig aandacht voor het feit dat het alleen al in de provincie Aleppo aan 140 veldslagen deelnam en daarna actief was in grootschalige gevechten in tal van locaties in noordwest Syrië, het oosten van het land, Damascus, Hama en het zuiden van het land. Volgens schattingen gebaseerd op gegevens van de groep zelf, zou Liwa al-Quds bij deze gevechten een groot aantal manschappen hebben verloren, meer dan 400 tot aan 2015 en 1.000 tot aan
  83. De voor Syrische pro-regime milities aanzienlijke omvang van de manschappen van Liwa al-Quds, haar inzet bij belangrijke veldslagen, haar rol in keerpunten van het conflict, en haar significante verliezen bevestigen dat de groep gezien moet worden als een militie die van groot militair belang is geweest voor het regime in zijn inspanningen om aan de oppositie en de rebellen weerstand te bieden en ze te verslaan. Vanaf het begin en gedurende het gehele conflict fungeerde de groep als ‘proxy’ voor het Syrische regime dat haar staatsmonopolie op geweld aan hen uitbesteedde. De banden tussen Liwa al-Quds en de LID verwaterden na het vertrek van [naam 7] als LID-chef in Aleppo in september 2016 ten gunste van de Militaire Inlichtingendienst (hierna: MID) die in samenspraak met de Russische strijdkrachten in Syrië de groep onder haar hoede begon te nemen. Vanaf eind 2016 diende de groep als proxy voor de Iraanse Revolutionaire Garde Corps (IRGC) en de Russische strijdkrachten in Syrië. 6.4.1.
  84. Betrokkenheid van Liwa al-Quds bij misdrijven gepleegd door de LID Gedurende de beginperiode van de Syrische opstand heeft de LID dodelijk geweld toegepast ter onderdrukking van demonstraties die in verschillende Syrische steden plaatsvonden. Uit een schatting van de Verenigde Naties volgt dat in september 2011 al 2.600 burgerslachtoffers waren gevallen. Niet alleen deelnemers aan demonstraties tegen het regime werden slachtoffer van de LID. Elke uiting van sympathie voor de protesten of andere vormen van oppositie kon aanleiding vormen voor arrestatie. Zelfs het zijn van inwoner van een bepaald gebied of bepaalde wijk waar demonstraties plaatsvonden kon reden zijn voor arrestaties door de LID. Naast de repressie jegens demonstranten richtte de LID zich ook op de reguliere strijdkrachten. Zo werden soldaten die weigerden te schieten op demonstranten om zo de opstand de kop in te drukken door agenten van de LID doodgeschoten en werden piloten van de luchtmacht door LID-agenten op intimiderende wijze te verstaan gegeven om burgerdoelen te bombarderen. Verschillende Syrische mensenrechtenorganisaties, auteurs en ooggetuigen noemen de shabiha groepen, die later opgingen in Liwa al-Quds, vanwege hun rol in het met geweld neerslaan van deze vreedzame demonstraties in Aleppo tussen 2012 en
  85. In een reportage over het kamp Al-Nayrab bericht ook de Libanese pro-regime krant Al-Akhbar over een twintigtal mannen uit het kamp die in de lente van 2012 demonstranten in moskeeën in Aleppo met knuppels te lijf gingen. Volgens verschillende ooggetuigen verhaalden leden van shabiha groepen, waaronder die van [naam 1] , [naam 2] en [naam 6] , over hun onderdrukking van demonstraties nadat zij wekelijks aan het einde van de dag met een pick-up truck terugkeerden naar het Al-Nayrab kamp. De getuige [getuige 1] – de zoon van de eerder genoemde [slachtoffer 1] – heeft in dit verband verklaard dat de shabiha groep van [naam 6] demonstranten neersloeg tegen betaling. Het was algemeen bekend, aldus deze getuige, dat elke persoon die aan die actie deelnam, zoals het neerslaan van demonstranten, 500 lira kreeg. Zij hadden toen nog geen vuurwapens, maar wel stokken en knuppels. Tussen 2011 en 2013 vonden in het kamp Al-Nayrab twee anti-regime demonstraties plaats. Liwa al-Quds zou hier met geweld tegen hebben opgetreden. Geweld en intimidatie door leden van de groep jegens andersdenkenden in het kamp Al-Nayrab nam ook andere vormen aan. Vooral toen in het kamp Al-Nayrab nog stemmen opgingen om een neutrale positie in het conflict in te nemen werden deze door hen de kop ingedrukt. Volgens de Action Group for Palestinians of Syria zetten zij checkpoints op in het kamp en arresteerden zij hen die verdacht werden van deelname aan de demonstraties in Aleppo. Leden van rivaliserende Palestijnse partijen en de lokale coördinatiecomités van het kamp, waaronder [naam 8] (de zoon van Hamas-leider [naam 9] ), Hamas-leider [naam 10] , comitélid [naam 11] en zijn zoon [naam 12] , zouden door Liwa al-Quds gevangen zijn genomen en voor lange tijd vastgehouden. [naam 8] zou zijn doodgemarteld. Volgens een rapport van Pro-Justice is Liwa al-Quds ook door de LID aangestuurd om personen die verdacht werden van sympathieën met de oppositie of van deelname aan demonstraties uit te leveren en hebben zij sinds 2011 bijgedragen aan de arrestatie van meer dan 4.000 burgers. Velen van hen zouden zijn gemarteld, en/of vermoord of bezweken aan de erbarmelijke omstandigheden van hun detentie. De getuige [getuige 1] heeft verklaard over de willekeurige arrestaties door Liwa al-Quds. Volgens deze getuige hoefde men slechts kritiek te uiten op het regime om het onderwerp van een rapport te worden. Liwa al-Quds arresteerde mensen voor de veiligheidsdienst. Over personen die mogelijk politiek actief waren, werd een rapport geschreven, waarna diegene werd opgepakt en overgedragen aan de veiligheidsdienst op het vliegveld. [slachtoffer 1] heeft eveneens verklaard dat Liwa al-Quds mensen voor het regime arresteerde. Dat wist hij omdat hij lid was van het comité voor verbetering van de betrekkingen met de omgeving. Er kwamen mensen van het dorp Al-Nayrab naar hem toe om te klagen over de arrestatie van een aantal dorpelingen door Liwa al-Quds. Liwa al-Quds heeft deze mensen overgedragen aan de LID. Tijdens zijn detentie werd hij door de LID zelf ook geconfronteerd met een rapport dat door Liwa al-Quds was opgesteld. Volgens de getuige GT202650 was het algemeen bekend dat Liwa al-Quds belastende rapporten schreef en dat mensen dan werden opgepakt. Aanvankelijk hebben leden van Liwa al-Quds mensen uit het Al-Nayrab kamp gearresteerd. Maar na de aanhouding van [slachtoffer 1] en wat er daarna is gebeurd, durfden zij dat niet meer. Ze waren bang dat er tumult in het kamp zou ontstaan. Wie nog wel werden gearresteerd, waren mensen uit omliggende dorpen. Als de familie geld betaalde aan Liwa al-Quds, lieten ze mensen vrij. Sommige mensen waren bereid veel te betalen. Als ze niet betaalden, werden mensen overgedragen aan de LID. Concreet heeft deze getuige verklaard dat [naam 14] en [naam 15] , [naam 22] en [naam 13] zijn opgepakt door Liwa al-Quds en wel door de groep van [naam 3] . Dit was volgens deze getuige de enige groep in het kamp die in staat was dat te doen. [naam 13] , [naam 14] en [naam 15] zijn in 2012 aangehouden en [naam 22] in
  86. [naam 14] en [naam 15] en [naam 13] zijn overgedragen aan de LID. De getuige heeft gehoord dat [naam 15] is mishandeld en gemarteld. Uit het dossier blijkt dat arrestanten werden overgebracht naar één van de gevangenissen van de LID, waarbij de gevangenissen in Damascus, Harasta, Dar’a, Homs, Aleppo, Hama, Latakia, Deir ez-Zor en Raqqa het meest genoemd werden. De behandeling van de gevangenen was dusdanig wreed dat de LID door de Verenigde Naties en mensenrechtenorganisaties verantwoordelijk wordt gehouden voor de ergste vormen van marteling in Syrië sinds het uitbreken van de opstand. In het rapport II van Leenders worden verschillende vormen van ernstige marteling omschreven, waaronder de martelmethode van falaqa waarbij stokslagen op de voeten worden gegeven. Uit getuigenverslagen blijkt ook dat onder meer het toedienen van elektrische schokken, het uittrekken van nagels, het uitsteken van ogen, verminkingen, het toebrengen van messteken en het uitvoeren van schijnexecuties gangbare martelmethodes waren. Ook seksueel geweld kwam voor. Doel van het toepassen van dergelijk extreem geweld was het verkrijgen van (valse) bekentenissen en het bestraffen van de gevangenen. Toepassing van dergelijk extreem geweld leidde zeer regelmatig tot de dood van de gevangenen. Op basis van rapporten van internationale en Syrische mensenrechtenorganisaties berekende de Human Rights Data Analysis Group dat tussen 2011 en 2015 17.723 mensen de dood vonden in detentie. In Aleppo werden in 2012 rondom het hoofdkwartier van de LID vrijwel dagelijks lijken gevonden. Hieronder waren ook lichamen van kinderen. 6.4.1.
  87. De reputatie van de LID Uit de rapporten en de getuigenverklaringen volgt dat de activiteiten van de LID algemeen bekend waren. De burgerbevolking was op de hoogte van het feit dat de LID onder meer oppositieleden, maar ook gewone burgers, arresteerde (of liet arresteren) om deze arrestanten vervolgens bloot te stellen aan extreme vormen van systematisch geweld. Ook was algemeen bekend dat veel mensen de martelpraktijken van de LID niet overleefden. De kennis hierover werd versterkt doordat mensen die de martelingen wél overleefden verslag deden aan familie en bekenden. Ook via sociale media werd beeldmateriaal verspreid waaruit bleek op welke wijze gevangenen gemarteld werden. Binnen een (relatief) kleine en hechte gemeenschap als het kamp Al-Nayrab was de reputatie van de LID alom bekend. Dit volgt ook uit verschillende getuigenverklaringen. [slachtoffer 1] omschreef de LID als volgt: “De wreedste dienst van heel Syrië is de Luchtmacht inlichtingendienst. De meest actieve dienst in het arresteren van mensen is de Luchtmacht inlichtingendienst. Als iemand wordt gearresteerd door deze dienst en daarna vrij komt, dan heeft hij een nieuw leven gekregen, zo noemen wij dat.” [getuige 1] , verklaarde dat iedereen op de hoogte was van de martelingen die door de LID werden verricht. De reputatie van de LID omschreef hij aldus: “Wie daar levend uitkomt, moet God zeer dankbaar zijn.” De [getuige 2] omschreef de LID als “het centrum van de dood.” De getuige [getuige 3] liet zich in soortgelijke bewoordingen uit: “Dat is bekend, dat de veiligheidsdienst, de Inlichtingendienst van de Luchtmacht meedogenloos is. (…) [slachtoffer 1] moet God dankbaar zijn dat hij er levend vandaan kwam, de meeste overleven het niet. Dat zeg ik niet zelf, dat is officieel bekend.” Ook de getuigen GT202650 en GT089175 hebben verklaard over de LID. GT202650 verklaarde: “Het was algemeen bekend dat heel veel mensen die werden overgedragen aan de Inlichtingendienst van de Luchtmacht er niet levend uitkwamen. Veel familieleden van mensen die waren overgedragen, kregen later een telefoontje met de mededeling: Kom het identiteitsbewijs van je kind halen. Dat betekende: Hij is dood.” GT089175 verklaarde dat de reputatie van de LID zeer slecht was, dat ze berucht waren en dat iemand die in hun handen viel, verdween. 6.4.1.
  88. Verdere activiteiten van Liwa al-Quds Uit het dossier blijkt verder dat Liwa al-Quds en haar leiders zich, door de kansen aan te grijpen die de Syrische oorlogseconomie hen bood, op verschillende wijzen hebben verrijkt. Zij deden dit door middel van toe-eigening van goederen in de gebieden die zij controleerden. In het kamp Al-Nayrab gebruikte de groep haar machtspositie om bezittingen, vooral woningen van opponenten en vluchtelingen, te confisqueren. Verschillende bronnen bevestigen dat Liwa al-Quds een grote rol speelde in de plundering die gepaard ging met de verovering van grondgebied door gewapende groepen in de Syrische oorlog. Berichten over plundering waren er al toen Palestijnse shabiha groepen het Syrische reguliere leger assisteerden in een militaire operatie tegen rebellen in Tal Shaghib, een dorp nabij het kamp Al-Nayrab in maart
  89. Ook het Libanese pro-regime dagblad al-Akhbar berichtte in een reportage over het kamp Al-Nayrab dat verschillende shabiha groepen goederen uit het dorp hadden buitgemaakt en vervolgens op een markt in het kamp te koop hadden aangeboden. Plundering door leden van Liwa al-Quds vond ook op grote schaal plaats in Aleppo tijdens en na het militaire offensief dat de rebellen uit de stad verdreef. Ooggetuigenverslagen spraken ook van systematische plundering door Liwa al-Quds in Deir ez-Zor aan het einde van 2017, waarbij de plundering soms gepaard ging met dodelijk geweld tegen inwoners en rivaliserende pro-regime milities. Liwa al-Quds zette op verschillende plaatsen openluchtmarkten op waar zij de buitgemaakte goederen, zoals koelkasten en meubilair, verkocht. Oude metalen die de groep stripte van al dan niet vernietigde gebouwen en woningen werden op grote schaal verkocht. In het rapport Fata/Integration

(2019)van het Syrische Centre for Legal Studies and Research en het Democratic Republic Studies wordt gesteld dat Liwa al-Quds verschillende huizen van oppositieleden in het kamp had ingenomen. Hierbij worden specifiek de huizen genoemd van [naam 13] en een persoon genaamd [naam 10] . De inname van deze bezittingen zou onderdeel zijn van een campagne van Liwa al-Quds om de huizen van oppositieleden en van personen die de oppositie qua gedachtegoed steunden en naar Europa waren gevlucht in te nemen. [naam 2] , de vice-commandant van Liwa al-Quds, zou de inname van huizen van mensen die naar Europa waren vertrokken op zijn persoonlijke Facebook-pagina hebben bevestigd. [naam 2] zou de gevluchte mensen ook niet meer terug hebben laten keren naar het kamp Al-Nayrab, en de beslissing om huizen in te nemen hebben gecommuniceerd in reactie op bewoners van het kamp Al-Nayrab die publiekelijk steun hadden betuigd aan een persoon genaamd [naam 23] , een lid van de gewapende oppositie die was omgekomen. Ook verschillende getuigen hebben verklaard over de activiteiten van Liwa al-Quds. Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard dat Liwa al-Quds zich schuldig maakte aan georganiseerde plundering en diefstal in de dorpen. De leiding was op de hoogte van de praktijken van hun leden en zij stond dit toe. Liwa al-Quds viel dorpen aan en liet haar leden deze dorpen leeghalen. Na betaling van 10.000 Syrische lira mocht ieder lid van Liwa al-Quds een huis plunderen. Volgens getuige [getuige 1] kregen de leden van de shabiha groepen in het begin per klus betaald. Maar personen die officieel lid werden, kregen serieuze salarissen en hielden op met werken: dit werd daarna hun werk. Toen de gevechten begonnen, hadden ze naast hun salarissen andere inkomsten, door plunderingen van gebieden die zij onder controle kregen. In een bepaalde periode verzamelde de verdachte, aldus deze getuige, de geplunderde goederen op het dak van het huis van zijn ouders. Dat heeft de getuige met eigen ogen gezien. Hij heeft gezien dat ze een pick-up het kamp binnen brachten en zelf zeiden “dit zijn geplunderde goederen”. Met name toen zij Teil Shughaib binnenvielen en bestormden. Zij waren erg brutaal en zeiden in het openbaar dat zij Teil Shughaib hadden geplunderd. GT202650 heeft verklaard dat Liwa al-Quds aanvankelijk demonstranten onderdrukte. Later, toen Liwa al-Quds beter bewapend werd, nam zij deel aan gevechten en ondersteunde zij het Syrische leger, bezette en controleerde bepaalde gebieden en plunderde veel. De getuige heeft gezien dat Liwa al-Quds veel geplunderde goederen het Al-Nayrab kamp binnenbracht. Liwa al-Quds bracht de goederen naar het magazijn van [naam 3] . Een keer was het een vrachtwagen vol nieuwe autobanden, een andere keer een vrachtwagen vol olijfolie. De getuige heeft leden van Liwa al-Quds ook vaak met geplunderde auto’s zien rijden. Een keer hadden ze een hele grote generator op een auto geplaatst. Hun magazijn bevond zich buiten het kamp. De groep zei zelf dat ze de goederen hadden afgepakt. De getuige heeft verder verklaard over een specifiek incident. In een plaats ongeveer 4-5 km van het kamp, heeft de groep van [naam 3] alles geplunderd wat los en vast zat. Motoren, tv’s, auto’s, zelfs kleding van vrouwen. Vanaf het begin was de groep van [naam 3] , bestaande uit zeven à acht man, de groep die de opbrengsten van het plunderen exclusief voor zichzelf heeft gehouden. Later werd ook geplunderd door andere shabiha’s. 6.4.1.
  1. Tussenconclusie met betrekking tot Liwa al-Quds Op grond van voorgaande feitelijke vaststellingen concludeert de rechtbank dat Liwa al-Quds een aan het regime gelieerde militie was die in en buiten het kamp Al-Nayrab als proxy van de LID en later de Syrische en Russische strijdkrachten een positie van feitelijk gezag bekleedde. Van die positie maakten de leiding en leden voor eigen gewin misbruik. 6.4.1.
  2. De aard van het conflict Ter beantwoording van de vraag of tot bewezenverklaring kan worden gekomen van een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van oorlogsmisdrijven (feit 7), dient te worden vastgesteld of het internationaal humanitair recht van toepassing is. Daartoe moet worden bezien of ten tijde van de ten laste gelegde periode in Syrië sprake was van een, gelet op de bewoordingen in de tenlastelegging, niet-internationaal gewapend conflict. Ingevolge vaste jurisprudentie van het Joegoslavië tribunaal (hierna: ICTY) is sprake van een niet-internationaal gewapend conflict indien sprake is van aanhoudend gewapend geweld (protracted armed violence) tussen de overheid en één of meer georganiseerde gewapende groeperingen of tussen gewapende groeperingen. Of sprake is van protracted armed violence kan worden vastgesteld aan de hand van de duur en intensiteit van gewapende confrontaties, de hoeveelheid en het type afgevuurde munitie, het type wapen en overig militair materieel dat wordt ingezet, het aantal slachtoffers, de omvang van de materiele schade en het aantal intern ontheemden. Of sprake is van een georganiseerde gewapende groepering kan onder meer worden vastgesteld aan de hand van het bestaan van een commandostructuur en disciplinaire regels en mechanismen binnen de groep; het bestaan van een hoofdkwartier; de mogelijkheid om militaire operaties te plannen, coördineren en uitvoeren, de mogelijkheid een uniforme militaire strategie te bepalen en het gebruik van militaire tactieken; en de mogelijkheid om met een stem te spreken en te onderhandelen. Er is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van protracted armed violence op het grondgebied in Syrië vanaf juli
  3. De rechtbank overweegt op grond van de hiervoor geschetste ontwikkeling van het conflict dat vanaf dat moment sprake is van een sterke toename in het aantal gewapende confrontaties en dat ook de intensiteit van het gewapende geweld toenam. In de periode daarna zijn veelvuldig grootschalige militaire operaties tussen de betrokkenen uitgevoerd, waarbij gebruik werd gemaakt van militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie. Ook het aantal (dodelijke) slachtoffers, materiële schade en (intern) ontheemden is zeer aanzienlijk, zoals hiervoor is vastgesteld. Deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, maken naar het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan het vereiste van protracted armed violence. De rechtbank is verder van oordeel dat – op basis van de eerder genoemde feiten en omstandigheden – eveneens is voldaan aan de vereiste organisatiegraad van de gewapende groepering. Het begin van de gewapende oppositie in Syrië wordt gemarkeerd met de oprichting van het VSL in juli
  4. Alhoewel het VSL uit verschillende rebellengroeperingen bestaat, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereiste organisatiegraad. Daartoe overweegt de rechtbank dat het VSL gezamenlijke operaties uitvoert, een gedragscode heeft uitgebracht en een Supreme Military Council heeft opgericht om een commandostructuur vorm te geven. Tussenconclusie: niet-internationaal gewapend conflict vanaf juli 2011 Vanaf juli 2011 is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië tussen de oppositiegroeperingen opererend als het VSL enerzijds en het Syrische regime met aan haar gelieerde volkscomités/milities anderzijds. Zodoende is vanaf dat moment en gedurende de gehele ten laste gelegde periode het internationaal humanitair oorlogsrecht van toepassing. 6.4.1.
  5. Misdrijven tegen de menselijkheid De tenlastelegging ziet onder meer op de misdrijven tegen de menselijkheid marteling, wederrechtelijke vrijheidsberoving (feiten 1, 3, 4, en 6) en deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid (feit 7). Wat een misdaad tegen de menselijkheid onderscheidt van een commuun misdrijf (en van andere internationale misdrijven zoals oorlogsmisdrijven of genocide) is de eis dat het misdrijf in de context van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie moet zijn gepleegd In artikel 4, tweede lid, onder a van de Wim is een ‘aanval gericht tegen een burgerbevolking’ gedefinieerd als het meermalen plegen van feiten die in dat artikel zijn opgenomen tegen een burgerbevolking, ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft. Uit de jurisprudentie volgt dat de gedragingen die onderdeel van de aanval uitmaken niet gewelddadig behoeven te zijn of steeds hetzelfde rechtsgoed behoeven te beschermen. Zodoende kan de aanval bestaan uit een optelsom van verschillende gedragingen, zolang er maar sprake is van samenhang tussen de gedragingen en de aanval. Ook moet de aanval gericht zijn tegen een burgerbevolking. Niet vereist is dat de aanval op de gehele burgerbevolking gericht is, een aanval gericht tegen een aanzienlijk aantal individuen is voldoende. Daarnaast dient de aanval een wijdverbreid of stelselmatig karakter te hebben, waarbij wijdverbreid refereert aan de schaal of omvang van bijvoorbeeld het aantal slachtoffers, en stelselmatig refereert aan het bestaan van een plan of een patroon. Voorts is vereist dat de aanval plaatsvindt ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie, waarbij gedoeld wordt op actieve aanmoediging of bevordering van een aanval op een burgerbevolking door een staat of organisatie. Ten aanzien van de vorm van het beleid geldt dat het beleid niet formeel als staatsbeleid hoeft te zijn aangenomen. Ook behoeft het beleid of plan niet expliciet afgekondigd te zijn of gedetailleerd uitgewerkt te zijn. Een de facto of impliciet plan is voldoende. Een wijdverbreide of stelselmatige aanval op de burgerbevolking Uit de hiervoor weergegeven feitelijke vaststellingen volgt dat het Syrische regime vanaf maart 2011 in samenwerking met groeperingen zoals de volkscomités vreedzame demonstraties met harde hard de kop indrukte door de demonstranten met geweld uiteen te drijven en aan te houden. De Crisis Cel van het regime stuurde de verschillende veiligheidsdiensten en het leger aan en gaf opdracht met harde hand op te treden tegen de oppositie. Naarmate de vreedzame demonstraties toenamen, trad het Syrische regime met meer geweld op. Het regime voorzag groeperingen van wapens en andere middelen en zette het leger, de veiligheidsdiensten en deze groeperingen in om burgers te doden, op te pakken, te martelen en onder zeer erbarmelijke omstandigheden vast te houden, hetgeen resulteerde in de dood van tienduizenden burgers. Deze gedragingen, gelet op de aard en omvang daarvan, kunnen worden aangemerkt als een aanval op een burgerbevolking. Het massaal oppakken en vasthouden van burgers was volgens de Crisis Cel het hoofdbestanddeel van het repressie arsenaal waarmee het regime de demonstraties bestreed. Dit geweld werd ingezet als middel om vrees aan te jagen en diende ook ter onderdrukking van de bevolking met als doel het regime van Al-Assad te beschermen. Het doelwit van het geweld waren (vermeende) oppositieleden, demonstranten en activisten, maar ook burgers (waaronder kinderen) die geenszins betrokken waren bij de demonstraties. De burgerbevolking die onderwerp van de aanval was, bestond voornamelijk uit Syrische burgers. Mogelijke betrokkenheid bij protesten of kritische uitlatingen over het regime of iemand kennen die daarvan verdacht wordt, was voldoende om doelwit van onderdrukking en geweld te worden. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zowel een wijdverbreide als stelselmatige aanval op een burgerbevolking. Tussenconclusie: wijdverbreide of stelselmatige aanval op de burgerbevolking ter uitvoering van het beleid van het Syrisch regime Vanaf maart 2011 kunnen naar het oordeel van de rechtbank de aanhoudingen van burgers en het gebruik van geweld tegen burgers als een zich ontwikkelende aanval tegen een burgerbevolking worden gekwalificeerd. Vanaf april 2011 worden de beslissingen van de Crisis Cel geïmplementeerd en is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijdverbreide en stelselmatige aanval op een burgerbevolking, gelet op het aantal slachtoffers en het stelselmatige karakter van de gedragingen. Het Syrische regime en diens Crisis Cel stuurde de gewelddadige onderdrukking van burgers aan. Aldus vond de stelselmatige en wijdverbreide aanval op de burgerbevolking plaats ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat. 6.4.
  6. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies t.a.v. de positie van de verdachte De verdachte heeft verklaard dat hij zich heeft aangesloten bij Liwa al-Quds, maar dat hij dat deed om zijn familie te verdedigen. Hij hield zich naar eigen zeggen alleen bezig met de beveiliging van het Al-Nayrab kamp en zijn bewoners. Hem wordt echter verweten dat zijn betrokkenheid veel verder ging en dat hij ook een leidende rol had bij Liwa al-Quds. 6.4.2.
  7. Feitelijke vaststellingen [slachtoffer 1] heeft evenals GT089175 verklaard dat de verdachte vanaf het begin van de opstand in 2011 lid was van Liwa al-Quds. Volgens [getuige 1] was de verdachte eerst lid van de groep van [naam 6] , de buurman van de verdachte. Hij begon daar als gewoon lid, maar ontwikkelde zich naderhand. Toen de demonstraties in Aleppo begonnen, is deze groep gevormd om de demonstraties te onderdrukken. Zo heeft [getuige 1] gezien dat de verdachte met de groep van [naam 6] in een auto vertrok naar Aleppo of daarvan terugkwam. Na de dood van [naam 6] groeide de verdachte uit tot een van de vertrouwelingen van [naam 3] , de militaire commandant van Liwa al-Quds. Volgens de getuige GT202650 had [naam 3] twee typen vertrouwelingen: personen die dicht bij [naam 3] stonden en personen die in een verder verwijderd verband stonden. De verdachte maakte samen met zeven à acht anderen deel uit van de inner circle van [naam 3] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte de rechterhand van [naam 3] was. Ook GT089175 noemt hem de vertrouweling van [naam 3] . De getuige [getuige 3] heeft de verdachte militaire kleding en wapens zien dragen in het kamp. Hetzelfde heeft [slachtoffer 1] verklaard. GT089175 heeft verklaard dat de verdachte een wapen en een uniform droeg. GT202650 heeft de verdachte tientallen keren met een kalasjnikov gezien en heeft verder verklaard dat de verdachte betrokken is geweest bij een incident waarbij leden van Liwa al-Quds met een lijk achter een auto door de straten hebben gereden. De verdachte stond toen in de laadbak van de auto waaraan een lijk was vastgebonden. Het lijk zou zijn gedumpt bij de vuilniscontainer. GT202650 heeft verklaard over een aanhouding van twee mannen en een vrouw in 2012 bij een controlepost waarbij de groep van [naam 3] betrokken was. Volgens de getuige werden zij bij de controlepost aangehouden en vervolgens door [naam 3] en leden van zijn groep, waaronder de verdachte, mishandeld en meegenomen, waarna zij hen hebben overgedragen aan de LID. Het was met name de groep van [naam 3] , waaronder ook de verdachte, die zich bezighield met plunderingen. Deze getuige heeft daadwerkelijk gezien dat de groep geplunderde goederen het kamp in bracht. De verdachte had een eigen opslagplaats voor geplunderde goederen. Volgens GT089175 was de verdachte binnen het kamp betrokken bij aanhoudingen. De verdachte kreeg van de leiding van Liwa al-Quds de opdracht om iemand op te pakken en hij voerde dat vervolgens met een aantal mensen uit. Deze getuige heeft gehoord dat de verdachte bij een dergelijke aanhouding andere leden van Liwa al-Quds opdracht gaf om de betreffende persoon op te pakken, te boeien en in de auto te zetten. De verdachte bemande ook de controleposten bij de in- en uitgangen van het kamp. Als hij daar was, dan zat hij meestal binnen. De gewone leden verrichten het werk. Voorts heeft deze getuige verklaard dat als Liwa al-Quds vechtopdrachten kreeg voor buiten het kamp, de verdachte dan de leider van de groepering was. Dat weet de getuige, omdat in het kamp erover werd gesproken in de trant van: ‘Ik zat bij de groep van’ en dan werd de naam van de verdachte genoemd en werd er besproken wat men buiten het kamp deed en wie er gewond was geraakt, wie er was gesneuveld enzovoort. GT202650 heeft verklaard dat de positie van de verdachte (in ieder geval in 2012) dermate hoog was dat het bemannen van een controlepost beneden zijn rang viel. Deze getuige heeft verder verklaard dat de verdachte vanaf 2012 ook zelf leider van een groepering binnen Liwa al-Quds was. Deze getuige hoorde en zag de verdachte opdrachten geven aan de rest van de groep, zoals: “Jullie gaan met deze auto en jullie gaan met die andere auto”. Als er bij de door Liwa al-Quds beheerde controleposten en linies mensen vervangen moesten worden, deed de verdachte dat ook. De groep van de verdachte deed volgens deze getuige mee aan bestormingen en dat wist hij omdat de verdachte daar zelf trots over vertelde. Zo zei de verdachte volgens de getuige: “Vandaag hebben wij een groepering aangevallen, iemand opgepakt en overgedragen aan de Luchtmacht Inlichtingendienst.” Later, toen Liwa al-Quds beter georganiseerd was, er duidelijke structuren waren en de organisatie groter geworden was, was de verdachte de leider van het Al Badya front en had hij de beschikking over raketten gekregen. GT089175 heeft in dit verband heel concreet verklaard over het plunderen door Liwa al-Quds en de verdachte. Deze getuige verklaarde dat Liwa al-Quds huizen binnenviel buiten het kamp, waarbij valse beschuldigingen werden geuit, bijvoorbeeld dat er wapens in het pand zouden zijn. Vervolgens werd het huis binnengevallen en geplunderd. Dat ging om geld, sieraden en goud. Ook plaatsten de verdachte en anderen controleposten langs wegen, waarbij ze auto’s dwongen te stoppen en ze plunderingen uitvoerden. Deze verklaringen vinden steun in de foto’s in het dossier waarop de verdachte te zien is en de posts op sociale media waarin zijn naam genoemd wordt. Zo wordt op 15 maart 2014 een post geplaatst op het Facebook profiel van een zekere [naam 28] . Daarin staat het volgende: 'Ingenieur [naam 1] en [naam 2] , twee commandanten van Liwa al Quds, hebben samen met de bewoners de crisis opgelost, in aanwezigheid van de commandant van een divisie binnen Liwa al Quds, [verdachte] .” Op de bijgevoegde foto is de verdachte te zien, zittend op een bank naast [naam 1] en [naam 2] . Op 7 maart 2015 is een video gedeeld op het YouTube kanaal van Liwa al-Quds. Bij deze video wordt aangegeven dat de troepen die gestationeerd zijn in Khanassar hun commandant [naam 1] verwelkomen. Te zien is dat de verdachte de eerste is die op [naam 1] afkomt en hem lachend omhelst. Op 23 oktober 2015 zijn op het Facebook-profiel ' [naam 16] ' foto's gedeeld van leden van Liwa al-Quds die doorstootten richting Khanassar. Op die datum werd de volgende post geplaatst: “De helden van Liwa al Quds, Martelaar [naam 17] bataljon, op weg naar Athria.” De verdachte staat op de foto direct achter [naam 3] en [naam 4] en heeft zijn handen op hun schouders. De verdachte komt ook voor op foto’s van tactische besprekingen. Zo staat hij in gevechtstenue op een foto die op 4 september 2016 werd geplaatst op het Facebook-profiel ' [naam 16] '. Hij bestudeert samen met [naam 4] een kaart. Aan de hand van satellietbeelden wordt de locatie van deze kaart geplaatst in het Armament College in Aleppo, een belangrijke strategische positie in de slag om Aleppo in
  8. Voorts is de verdachte een van de hooggeplaatste Liwa al-Quds strijders die een Russische onderscheiding krijgen in het najaar van 2016 voor hun rol in het Handarat-offensief. Op een foto van die gelegenheid is de verdachte te zien samen met [naam 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 18] . Op 8 januari 2017 is op een Facebook-pagina genaamd 'Liwa al-Quds / Syrisch-Arabisch Commando/ Salamiyah Center' een serie foto's geplaatst die volgens een begeleidende tekst genomen zijn tijdens de veertigste verjaardag van de 'martelaar [naam 24] '. Volgens de tekst op de foto waren de leden van Liwa al-Quds in het bijzijn van de gouverneur van Hama en de secretaris van de partijafdeling in Hama. Op die foto staat de verdachte achter de gouverneur. Op een Facebook-profiel van een persoon genaamd [naam 19] , die blijkens zijn Facebook-profiel in Aleppo woont en werkt voor het Syrisch Arabische leger, zijn twee posts geplaatst op 4 september
  9. Bij de posts zijn ook foto's geplaatst waarop steeds dezelfde groep mensen te zien is. De eerste post luidt als volgt: “De troepen van Liwa al-Quds rukken op richting Deir ez-Zor, onder leiding van onze overste [verdachte] , moge Allah jouw glorie later voortduren, geweldige man.” De tweede post vermeldt: “[...] het is gesticht door ingenieur [naam 1] door opdracht te geven aan de militaire leiders [naam 20] en de heer [verdachte] om onze broeders aan de rand van Deir ez-Zor te steunen.” Op het Facebook-profiel [naam 21] staat een groot aantal foto’s van de verdachte. Op 12 mei 2018 staat bij een van zijn foto’s vermeld: “ [verdachte] , commandant van de bestormingscompagnie, moge god je beschermen.” Op de Facebook-pagina van Liwa al-Quds genaamd 'Wervingsbureau van Liwa al-Ouds, Damascus en zijn omgeving' is op 15 juni 2018 een post geplaatst met zes foto's. De post luidde: “De leiders van Liwa al-Quds delen samen met de kinderen van het al-Neyrab kamp hun vreugde op Eid al-Fitr, en moge jullie elk jaar gezond zijn. Moge God jullie beschermen, leiders van Liwa al-Quds.” Op deze foto’s staat de verdachte in de directe nabijheid van [naam 1] , [naam 2] en [naam 4] . 6.4.2.
  10. Rol verdachte binnen Liwa al-Quds De verklaring van de verdachte dat hij zich had aangesloten bij Liwa al-Quds enkel om zijn familie en de bewoners van het kamp te beschermen en te beveiligen is gelet op de hiervoor opgesomde vaststellingen ongeloofwaardig. Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte ook is aan te merken als ‘leider’ van Liwa al-Quds in de zin van artikel 140 Sr stelt de rechtbank voorop dat een ‘leider’ in de zin van artikel 140 Sr niet de hoogste leider hoeft te zijn. Binnen een organisatie kan sprake zijn van meerdere leiders. Het gaat erom of iemand binnen de organisatie een bepaalde macht heeft, een bepaald gezag bezit, of zich onderscheid van de overige deelnemers door gedragingen zoals het nemen van initiatieven, het verdelen van taken, het geven van opdrachten en aanwijzingen die ook opgevolgd worden. Het gaat om een voortdurende feitelijke zeggenschap. Uit het dossier blijkt dat [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (en na diens dood [naam 4] ) de hoogste leiders van Liwa al-Quds waren. Op basis van de hiervoor weergegeven verklaringen en overige stukken in het dossier concludeert de rechtbank dat de verdachte met hen omgaat als ware zij gelijken. Hij staat met regelmaat – en vaak amicaal – direct naast of achter de hoogste leiders op foto’s. Hij is betrokken bij arrestaties binnen het kamp en heeft een leidende positie bij de controleposten in het kamp. Ook wordt hij genoemd als commandant van een divisie, commandant van de bestormingscompagnie en overste. Hij is een van de vijf hooggeplaatste leiders van Liwa al-Quds die in het najaar van 2016 een Russische onderscheiding ontvangen. Ook is hij een van de leiders van Liwa al-Quds die op 15 juni 2018 Eid-al Fitr vierde met de kinderen van het kamp Al-Nayrab. Hij is als commandant betrokken geweest bij gevechtsoperaties in onder andere Khanassar, het Handarat offensief, Zarzour en Deir ez-Zor. Hij nam voorts deel aan plunderingen en bewaarde een deel van de buit op het dak van de woning van zijn ouders. Tussenconclusie: de verdachte leidende rol binnen Liwa al-Quds Gelet op zijn positie binnen de organisatie als directe vertrouweling van de leiding, zijn leidinggevende positie bij activiteiten van Liwa al-Quds, zowel binnen het kamp bij de bemanning van de controleposten als buiten het kamp bij gevechtsoperaties en bij plunderingen en het zelf delen in de buit van die plunderingen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte binnen Liwa al-Quds zodanige voortdurende feitelijke zeggenschap heeft gehad tegenover andere (lagere) militieleden dat hij is aan te merken als een leider in de zin van artikel 140 Sr. 6.4.2.
  11. Wetenschap bij de verdachte van reputatie en handelen LID Hiervoor is al overwogen dat de reputatie van de LID bij bewoners van het kamp bekend was. Ook de verdachte heeft verklaard dat de LID in alle opzichten slecht bekend stond. Hij wist dat ook als geen ander, want zijn oom [naam 13] is vastgezet en gemarteld door de LID. Nadat zijn oom was vrijgelaten viel het de verdachte – bij een bezoek – op dat zijn oom erg vermagerd was en dat zijn gezondheid erg achteruit was gegaan. Ook mentaal was zijn oom achteruit gegaan. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de slechte reputatie van de LID en het detineren en martelen van (vermeende) tegenstanders. 6.4.
  12. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusie met betrekking tot de vrijheidsbeneming van [slachtoffer 1] 6.4.3.
  13. Feitelijke vaststellingen is van Palestijnse komaf en is sinds zijn geboorte in 1956 woonachtig in het Palestijnse Al-Nayrab vluchtelingenkamp. Binnen dat kamp was hij maatschappelijk actief en sinds het begin van het gewapend conflict in Syrië prominent lid van een comité dat probeerde de neutraliteit van het kamp te bewaken en te voorkomen dat jongeren werden geronseld voor deelname aan de gewapende strijd. De ideeën en de activiteiten van het comité stuitten op tegenstand van de veiligheidsdiensten en vertegenwoordigers van de Baath-partij. Op 28 januari 2013 rond middernacht is een groep van vijf tot zeven personen de woning van [slachtoffer 1] in het kamp Al-Nayrab binnengevallen. Deze personen waren gewapend met kalasjnikovs en drie of vier personen droegen een sjaal als masker. De adem van deze personen rook naar alcohol. In de woning ontstond een schermutseling met geduw en getrek, en er werd gescholden en geschreeuwd.Eén van de personen uit de groep schoot in het plafond. [slachtoffer 1] werd met een vuist in het gezicht en met een geweerkolf op de rug geslagen. Ook zijn zoon [getuige 1] werd geslagen. Na een klap met een geweerkolf op het hoofd raakte hij onwel en verloor hij het bewustzijn. De leider van de groep zei: “Neem hem en zijn zoon mee”. Daarop besloot [slachtoffer 1] mee te werken en werd hij, gekleed in pyjama en op blote voeten, mee naar buiten gesleept. Over zijn hoofd was een gescheurd T-shirt getrokken. Een arrestatiebevel was er niet en [slachtoffer 1] werd niet verteld waarom hij werd meegevoerd. De woning van [slachtoffer 1] bevindt zich aan een smalle steeg die uitkomt op een bredere straat. In die bredere straat stond een taxi gereed, met daaromheen enkele leden van Liwa al-Quds. [slachtoffer 1] werd achter in de taxi gezet, waarna twee personen aan weerszijden van hem instapten. De taxi vertrok vervolgens met hoge snelheid richting het kantoor van de militaire veiligheidsdienst. Het uit de woning halen van [slachtoffer 1] heeft een half uur geduurd. De groep van personen die het huis van [slachtoffer 1] binnenviel en hem daarna in de taxi zette, bestond uit leden van Liwa al-Quds, een agent van de militaire veiligheidsdienst, en een officier van de LID. Die laatste was de leider, gaf opdrachten en werd door de leden van Liwa al-Quds aangesproken met ‘meneer’. De leden van Liwa al-Quds zijn herkend als [naam 25] (ook bekend als [naam 25] ); [naam 3] ; zijn broer [naam 4] ); [naam 27] ; [naam 17] ; en de verdachte. De chauffeur van de taxi was een man met de bijnaam [naam 26] (‘het konijntje’). De officier van de LID was first warrant officer [naam 5] , werkzaam op het vliegveld in Aleppo. De naam van de agent van de militaire veiligheidsdienst is onbekend. De verdachte stond aanvankelijk ‘aan de deur’, met andere woorden bij de voordeur van de woning van [slachtoffer 1] . Net als de anderen was de verdachte gekleed in camouflagekleding. Hij droeg daarbij een tactisch vest vol magazijnen. Later stond hij dichtbij, ‘meteen tegen de taxi aan’, samen met [naam 3] , terwijl iets verder van de taxi andere leden van Liwa al-Quds stonden. Die laatsten vormden een kring om de taxi heen, met de bedoeling om omstanders op afstand te houden. De rol van verdachte was volgens [slachtoffer 1] om op wacht te staan en in de gaten te houden of andere mensen zich zouden gaan bemoeien met zijn arrestatie en om hen tegen te houden als dat nodig was. Samen met twee anderen had de verdachte de ‘taak om te beveiligen dat de andere groep mij veilig in de auto kon zetten’, aldus [slachtoffer 1] . 6.4.3.
  14. Conclusie van de rechtbank: medeplegen De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte als medepleger verantwoordelijk kan worden gehouden voor de vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meerdere anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van nauwe en bewuste samenwerking kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Al met al is de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Zoals uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt, waren er bij de hiervoor omschreven feitelijke handelingen verschillende personen, uit verschillende geledingen betrokken. Naast de leden van Liwa al-Quds waren ook een officier van de LID en een agent van de militaire veiligheidsdienst ter plekke. Verder stond een taxi gereed om [slachtoffer 1] te vervoeren naar het kantoor van laatstgenoemde dienst. Dit alles duidt erop dat een zekere mate van gezamenlijke voorbereiding aan de aanhouding en overbrenging van [slachtoffer 1] vooraf moet zijn gegaan. Hoewel de precieze rol en betrokkenheid van de verdachte bij die voorbereiding niet vastgesteld kan worden, is het niet goed voorstelbaar dat de verdachte – gelet ook op zijn hiervoor al vastgestelde positie binnen Liwa al-Quds, in ieder geval als rechterhand van [naam 3] – niet vooraf op de hoogte was van de plannen om [slachtoffer 1] van zijn vrijheid te beroven. In ieder geval maakte de verdachte bij de uitvoering van die aanhouding en overbrenging onmiskenbaar deel uit van de groep van personen die de vrijheidsberoving ter hand nam. De verdachte was met andere leden van Liwa al-Quds ter plaatse en was net als zij gekleed in camouflagekleding en bewapend met een automatisch vuurwapen. Hij stond bij de deur van het huis van [slachtoffer 1] toen anderen dat huis binnenvielen en stond later dicht bij de taxi waarmee [slachtoffer 1] werd afgevoerd. Ook was er sprake van samenwerking en van een zekere taakverdeling. Sommige personen uit de groep verrichtten binnen in de woning de fysieke aanhouding van [slachtoffer 1] , terwijl anderen – de verdachte, [naam 3] en een derde – nabij de taxi stonden toen [slachtoffer 1] in de taxi werd gezet, waarbij op dat moment weer anderen in een kring rondom de taxi stonden om omstanders op afstand te houden. De rechtbank acht het in dit verband van belang dat de verdachte op twee sleutelmomenten in de vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] direct aanwezig was. Hij was, zoals overwogen, aanwezig bij het binnenvallen in de woning én bij het in de taxi plaatsen. Daarmee ging de rol van de verdachte – anders dan de verdediging heeft gesteld, verder dan het enkel ‘op de uitkijk staan’ – een gedraging die doorgaans met medeplichtigheid wordt geassocieerd. Daarbij is ook de context van belang. Zoals reeds in paragraaf 6.4.1.
  15. geconcludeerd was Liwa al-Quds ook ten tijde van de vrijheidsberoving een aan het regime gelieerde militie en bekleedde het in het kamp Al-Nayrab een positie van feitelijk gezag. Met een dergelijke gezagspositie is er geen reden om ‘op de uitkijk’ te staan. Integendeel. De verdachte was bewapend met een automatisch aanvalswapen en droeg over zijn camouflagekleding een tactisch vest, voorzien van magazijnen voor dat wapen, en heeft op die manier bijgedragen aan de sfeer van intimidatie en angst. Al met al is de rechtbank van oordeel dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de andere aanwezige personen bij de lichamelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] , en dat zijn bijdrage daaraan zodanig was dat van medeplegen kan worden gesproken. 6.4.
  16. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusie met betrekking tot de marteling en foltering van [slachtoffer 1] 6.4.4.
  17. Feitelijke vaststellingen Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast. Nadat [slachtoffer 1] op 28 januari 2013 in een taxi was gedwongen – zie paragraaf 6.4.3.
  18. – vertrok deze taxi naar het kantoor van de militaire veiligheidsdienst, aan de rand van het kamp Al-Nayrab. Direct daarna werd [slachtoffer 1] via een zijingang naar het nabijgelegen vliegveld gebracht. Na acht dagen op het militaire gedeelte van het vliegveld te zijn vastgehouden is [slachtoffer 1] per helikopter overgebracht naar de militaire academie van Assad, vanaf daar met een busje naar het kantoor van de LID in Aleppo gebracht en is daar vastgehouden. In dit kantoor van de LID bevond zich een ondergrondse gevangenis. werd daar geplaatst in een cel van vier bij vijf meter (cel nummer 4), bevolkt door tussen de 87 en 100 gedetineerden. Er was te weinig ruimte om de benen te strekken en de gedetineerden moesten voortdurend met opgetrokken benen zitten of slapen. Toiletbezoek was slechts twee keer per dag toegestaan, waarbij de gedetineerden met een stok of zweep werden geslagen. Sommige gedetineerden plasten in een fles. Er waren slechts kleine ventilatieopeningen in de cel en het was er warm. De gedetineerden kregen weinig en slecht te eten en te drinken en de gedetineerden dronken met olie vermengd water uit de CV. Voor zijn vrijheidsberoving woog [slachtoffer 1] 80 kilo, bij zijn vrijlating
  19. De cel was gelegen naast een verhoorkamer en [slachtoffer 1] kon de verhoren die daar plaatsvonden, de martelingen en het geschreeuw van de gedetineerden horen. Vijf dagen na zijn aankomst in de gevangenis werd [slachtoffer 1] naar een kamer gebracht waar een officier stond. Deze officier bracht een rapport ter sprake waaruit zou blijken dat hij had gedemonstreerd tegen gewapende strijders en dat hij in contact stond met leden van de gewapende oppositie. Toen hij ontkende, zei de officier tegen een andere man: “Neem hem mee en zorg dat hij bekent”. Deze man – een beul, zoals [slachtoffer 1] hem noemt – bracht hem naar een verhoorruimte, drukte hem tegen de grond en begon hem tegen het hoofd, de rug en de flanken te slaan en te schoppen. [slachtoffer 1] werd, liggend op zijn rug, met een stok op zijn blote voeten geslagen, 30 à 40 keer, waarbij hij tussentijds gedwongen werd te staan en te springen en te huppelen, opdat zijn voeten doorbloedden en hij het gevoel erin terugkreeg. Tegelijkertijd werd geschreeuwd dat hij moest bekennen. Na aanvankelijk stil te zijn gebleven is [slachtoffer 1] op enig moment gaan schreeuwen dat hij niets met de verdenking te maken had. Daarop zei de man die hem sloeg: “Je wordt standrechtelijk berecht”. Bij terugkomst in zijn cel – [slachtoffer 1] kon toen niet meer staan en kroop over zijn buik – werden de andere gedetineerden stil toen hij vertelde wat hem gezegd was. Het betekende namelijk dat [slachtoffer 1] geëxecuteerd zou worden. Toen hij zag hoe zijn medegedetineerden schrokken, werd hij ook angstig. [slachtoffer 1] heeft ongeveer 20 dagen vastgezeten voordat hij in de nacht van 28 februari 2013 werd vrijgelaten. Hij werd door familieleden opgehaald bij de poort van de gevangenis van de LID en meteen naar het ziekenhuis gebracht, alwaar hij zeven dagen in coma op de intensive care afdeling heeft gelegen. Een teen van zijn rechtervoet en een teen van zijn linkervoet zijn geamputeerd. Een arts vertelde [slachtoffer 1] dat zijn voeten waren verbrand en geëlektrocuteerd. 6.4.4.
  20. Conclusie van de rechtbank: medeplegen aan medeplichtigheid Na wijziging van de tenlastelegging wordt de verdachte verweten – kort gezegd – tezamen en in vereniging met anderen medeplichtig te zijn geweest aan de marteling van [slachtoffer 1] , door tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 1] van zijn vrijheid te beroven en hem over te dragen aan de LID. Wat dat laatste betreft heeft de rechtbank reeds hiervoor in paragraaf 6.4.3.
  21. vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen – dus als medepleger – [slachtoffer 1] van zijn vrijheid heeft beroofd en hem in een taxi heeft gedwongen. Die vrijheidsberoving kan niet los worden gezien van wat er vervolgens met [slachtoffer 1] gebeurde: de uiteindelijke overbrenging naar een gevangenis van de LID en zijn behandeling aldaar. De aanwezigheid van de officier van de LID bij het uit huis halen en afvoeren van [slachtoffer 1] , en de leidende rol die deze officier daarbij speelde, maakt dat de verdachte moet hebben geweten dat [slachtoffer 1] uiteindelijk in handen zou vallen van de LID, en dat hij met zijn handelen, samen met de andere aanwezige leden van Liwa al-Quds, daaraan bijdroeg. De rechtbank acht dus ook bewezen dat de verdachte – opnieuw als medepleger – [slachtoffer 1] heeft overgedragen aan de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht. De vraag is of de verdachte zodoende ook opzettelijk behulpzaam is geweest bij het martelen en folteren van [slachtoffer 1] dat volgde op diens overdracht aan de LID. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe is redengevend dat – zoals hiervoor reeds is overwogen – de LID zich op grote schaal en op systematische wijze (vermeende) politieke tegenstanders martelde en folterde en dat die praktijk ook algemeen bekend was. Bovendien was de verdachte, zoals al overwogen, ook uit eigen kring bekend met de martelpraktijken van deze dienst. Zijn oom was immers in augustus 2012 – enkele maanden voor de overdracht van [slachtoffer 1] aan de LID – door diezelfde dienst gedetineerd en in detentie gemarteld. Dat maakt dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank met het medeplegen van de vrijheidsberoving, het in de taxi dwingen en het aan de LID overdragen van [slachtoffer 1] op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij behulpzaam was bij het martelen en folteren van [slachtoffer 1] . De verdachte was niet de enige die daarbij behulpzaam was. De andere aanwezige leden van Liwa al-Quds droegen immers met hun handelen ook hieraan bij. Daarmee is er sprake van het medeplegen van medeplichtigheid aan marteling en foltering.
  22. Feit 1: het misdrijf tegen de menselijkheid wederrechtelijke vrijheidsberoving 7.
  23. Inleiding De rechtbank heeft in paragrafen 6.4.3.
  24. en 6.4.4.
  25. vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] uit zijn woning is gehaald en over is gedragen aan de LID. De rechtbank staat voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf tegen de menselijkheid wederrechtelijke vrijheidsberoving. In Nederland is dit als misdrijf tegen de menselijkheid strafbaar gesteld in artikel 4, eerste lid onder e, van de Wim. 7.
  26. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair. 7.
  27. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de lichamelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] niet in strijd is met fundamentele regels van internationaal recht. De vrijheidsberoving was immers van dusdanig korte duur dat deze onvoldoende severe is om te kunnen spreken van strijd met fundamentele regels van internationaal recht. Daarnaast is ook niet gebleken van andere omstandigheden waaronder deze kortdurende vrijheidsberoving wel een internationaal misdrijf zou opleveren. Zo is het bij de aanhouding toegepaste geweld niet van zodanige gravity dat ondanks de korte duur, toch van een misdrijf tegen de menselijkheid kan worden gesproken. Voorts was de vrijheidsberoving volgens de verdediging niet arbitrair, nu er mogelijk sprake was van een wettelijke grondslag voor de vrijheidsbeneming, omdat de veiligheidssituatie in het kamp een dergelijke vrijheidsberoving zouden kunnen rechtvaardigen. Er was namelijk sprake van een zeer precaire veiligheidssituatie in het kamp Al-Nayrab en onder die omstandigheden kwam het regime een relatief ruime marge toe om te beoordelen wie gedetineerd moest worden. Gelet op de contacten die [slachtoffer 1] met de oppositie onderhield om noodzakelijke goederen het kamp in te brengen en zijn weerstand tegen de bewapening van inwoners van het kamp, was het niet vreemd dat hij door het regime zou worden aangehouden. 7.
  28. De beoordeling van de tenlastelegging 7.4.
  29. De beoordeling De tenlastelegging is toegesneden op artikel 4, eerste lid, onder e van de Wim. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat met de formulering van deze bepaling in de Wim is getracht het begrip gevangenneming geen te restrictieve interpretatie te geven en tegelijkertijd te verzekeren dat de handeling slechts als misdrijf tegen de menselijkheid kan worden gekwalificeerd als het gaat om onrechtmatige vormen van ‘gevangenneming’. Daarbij is verwezen naar onder andere de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (de artikelen 9, 10 en 11) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (de artikelen 9, 10, 11 en 14). Artikel 4, eerste lid, onder e van de Wim is een bepaling die gemodelleerd is naar artikel 7, eerste lid, onder e van het Statuut van Rome. In de Elements of Crimes – voor zover relevant voor deze zaak – is bij dat artikel uiteengezet dat vereist is dat de verdachte een persoon ernstig van zijn of haar vrijheid heeft beroofd, dat deze vrijheidsberoving dusdanig ernstig is dat deze in strijd is met de fundamentele regels van internationaal recht en dat de verdachte zich daarvan bewust was, dat de vrijheidsberoving onderdeel uitmaakte van een wijdverbreide of stelselmatige aanval op de burgerbevolking en dat de verdachte dat wist of opzet had op het feit dat de gedraging daar onderdeel van uitmaakte. Ernst van de vrijheidsberoving Niet in geschil is dat [slachtoffer 1] gedurende enige tijd van zijn vrijheid is beroofd: hij werd immers tegen zijn wil en met geweld uit zijn woning gehaald, naar buiten gesleept en op de achterbank van een taxi gedwongen, waarbij links en rechts van hem personen kwamen zitten, zodat hij feitelijk werd belemmerd om weg te gaan. De tenlastelegging spitst de vrijheidsberoving toe op het uit de woning halen en het in het voertuig dwingen van [slachtoffer 1] . Die feitelijke handelingen zijn in duur beperkt: ze beliepen volgens [slachtoffer 1] een half uur. Aan de (beperkte) duur van de vrijheidsberoving alleen kent de rechtbank echter – anders dan de verdediging – geen doorslaggevende betekenis toe. Van groter gewicht is het onrechtmatige karakter van die vrijheidsberoving. Vast staat dat [slachtoffer 1] op geen enkel moment is verteld waarom hij werd meegenomen en dat hem geen arrestatiebevel is getoond: een schending van artikel 9 van het IVBPR (een verdrag dat Syrië in 1969 ratificeerde). Verder blijkt het onrechtmatige karakter van de vrijheidsberoving uit de feiten en omstandigheden waaronder deze plaatsvond. Het middernachtelijk tijdstip van het binnenvallen in de woning, de betrokkenheid van (dronken) leden van een irreguliere militie zonder officiële positie in het Syrisch staatsapparaat, het schelden en schreeuwen, het schieten binnen in huis, het gebruikte geweld tegen [slachtoffer 1] en zijn zoon, en het afvoeren van [slachtoffer 1] in een voertuig dat doorgaans als taxi werd gebruikt en werd bestuurd door een burger: dat alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat de vrijheidsberoving van elke rechtmatigheid was gespeend. Het andersluidende verweer van de verdediging – namelijk dat de vrijheidsberoving niet arbitrair was, maar een wettelijke grondslag had of uit legitieme veiligheidsoverwegingen plaatsvond – wordt gelet op het vorenstaande als onaannemelijk verworpen. Daarbij komt dat de vrijheidsberoving niet los kan worden gezien van wat er vervolgens met [slachtoffer 1] gebeurde: de uiteindelijke overbrenging naar een gevangenis van de LID en zijn behandeling daar. Hoewel die gebeurtenis plaatsvond ná de handelingen en feitelijkheden zoals die in de tenlastelegging van feit 1 zijn beschreven, moet [slachtoffer 1] vanwege de aanwezigheid van de officier van de LID hebben gevreesd – gelet op de algemeen bekende, wrede reputatie van die dienst – voor wat hem te wachten stond. Ook die omstandigheid draagt bij aan de ernst en het gewicht van de vrijheidsberoving. Onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking Dat lichamelijke vrijheidsberoving in het algemeen wijdverbreid was en stelselmatig ingezet werd als wapen in een aanval gericht tegen de burgerbevolking is reeds hiervoor uiteengezet. Liwa al-Quds werd door de LID aangestuurd om personen die een (vermeende) sympathie koesterden voor de oppositie uit te leveren, waarna velen van hen werden gemarteld en/of vermoord dan wel bezweken onder de erbarmelijke detentie-omstandigheden, met als uiteindelijk doel het onderdrukken van de oppositie ten bate van de Staat. Bij de beoordeling van de vraag of de lichamelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] deel uitmaakte van de wijdverbreide en stelselmatige aanval komt betekenis toe aan de kenmerken, het doel, de aard en gevolgen van de gepleegde handelingen. Dat inachtnemend komt de rechtbank tot het oordeel dat de specifieke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] naadloos past in het hiervoor geschetste algemene patroon. [slachtoffer 1] was een prominent lid van een comité dat opvattingen uitdroeg die door de veiligheidsdiensten en het regime uitgelegd werden als oppositioneel. Bij het uit de woning halen van [slachtoffer 1] was een officier van de LID aanwezig, alsook een agent van de militaire veiligheidsdienst, terwijl de uitvoering in handen was van leden van Liwa al-Quds. [slachtoffer 1] werd uiteindelijk – zoals hierna zal worden vastgesteld – gemarteld en gefolterd in een gevangenis van de LID, met als doel hem zodanig vrees aan te jagen dat hij zijn activiteiten zou staken. Wetenschap verdachte De rechtbank is verder van oordeel dat de verdachte wist dat de vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] onderdeel was van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking. Hiervoor is reeds beschreven dat Liwa al-Quds de LID ten dienste stond bij de uitvoering van arrestaties en vrijheidsberoving van (vermeende) opponenten, onder andere van personen uit het Al-Nayrab kamp. Ook is beschreven dat de (wrede) reputatie van de LID algemeen bekend was. Aangezien de verdachte lid van Liwa al-Quds was en in die hoedanigheid deel uitmaakte van de groep die [slachtoffer 1] met geweld uit de woning haalde en in de taxi dwong, en dit alles gebeurde onder leiding van een ter plekke aanwezige officier van de LID, moet de verdachte hebben geweten dat [slachtoffer 1] ’s aanhouding deel uitmaakte van een wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking. Ook hierbij weegt mee dat de verdachte, zoals reeds overwogen, als geen ander hiervan kennis had uit eigen, familiale kring. De aanhouding en vrijheidsberoving van deze oom kent zoveel overeenkomsten met de manier waarop [slachtoffer 1] van zijn vrijheid werd beroofd, dat de wetenschap van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank vast staat. 7.4.
  30. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:
  31. hij op of omstreeks 28 januari 2013, te Al-Nayrab, Syrië, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 1] , in strijd met fundamentele regels van internationaal recht van zijn lichamelijke vrijheid heeft beroofd, welke beroving van de lichamelijke vrijheid hierin bestond dat hij, verdachte, in de hoedanigheid van lid van de pro-regime militie Liwa al-Quds en meerdere mededaders, voor het huis van deze [slachtoffer 1] de wacht heeft gehouden, en zodoende mogelijke hulp van derden heeft voorkomen, terwijl deze [slachtoffer 1] door andere leden van de Liwa al-Quds militie en de militaire veiligheidsdienst en de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht met geweld uit zijn woning werd gehaald en in een voertuig werd gedwongen, terwijl deze beroving van de lichamelijke vrijheid werd gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverbreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door het Syrische inlichtingenapparaat en het Syrische leger en pro-regime milities tegen de Syrische burgerbevolking. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 8Feit 2 en 3: foltering en het misdrijf tegen de menselijkheid marteling 8.
  32. De beoordeling van de tenlastelegging Marteling De tenlastelegging van feit 3 is toegesneden op artikel 4, eerste lid, onder f van de Wim: marteling als misdrijf tegen de menselijkheid. Het begrip marteling is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Wim. Volgens die definitie moet het bij marteling gaan om het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van de beschuldigde. Tot slot zal moeten worden vastgesteld of de gedragingen onderdeel uitmaakten van een wijdverbreide of stelselmatige aanval op de burgerbevolking en of de verdachte dat wist. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor weergegeven gedragingen (gelet op de aard, duur en intensiteit daarvan) en de omstandigheden waaronder [slachtoffer 1] werd vastgehouden, zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstig pijn en lijden, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij gevangen was in een gevangenis van de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [slachtoffer 1] is gemarteld. Onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking Eerder is al overwogen dat marteling wijdverbreid en stelselmatig werd ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Net zoals de vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] , past ook de daaropvolgende marteling naadloos in het algemene patroon van het op stelselmatige wijze gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Wetenschap verdachte De rechtbank is verder van oordeel dat de verdachte wist dat marteling onderdeel was van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in dit verband heeft overwogen over de wetenschap van de verdachte over de vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval. Dit geldt onverkort ook voor de marteling die daarop volgde (vgl. 7.4.1.). Conclusie De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van medeplichtigheid aan het misdrijf tegen de menselijkheid marteling van [slachtoffer 1] . Foltering De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op artikel 8 van de Wim: foltering. Uit deze bepaling en uit de definitie van foltering zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wim, volgt dat het bij foltering moet gaan om marteling van een persoon met het oogmerk om – voor zover in deze zaak relevant – een bekentenis te verkrijgen, te bestraffen of vrees aan te jagen, gepleegd van overheidswege, door een ambtenaar of een ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie. Dat er sprake is van marteling van [slachtoffer 1] is hiervoor reeds vastgesteld. Verder is de rechtbank van oordeel dat het martelen van [slachtoffer 1] gebeurde met het oogmerk om van hem de bekentenis te verkrijgen dat hij contacten had met de gewapende oppositie en met het oogmerk om hem vrees aan te jagen. Dat blijkt uit de uitlatingen van de officier en de beul en de mededeling van de beul dat hij standrechtelijk zou worden berecht, dat wil zeggen: geëxecuteerd. Dat de marteling werd gepleegd van overheidswege en door een ambtenaar of een andere voor de overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat naar het oordeel van de rechtbank ook vast. [slachtoffer 1] werd immers vastgehouden in een gevangenis van de LID – een dienst van de Syrische overheid – terwijl zijn marteling werd verordonneerd door een officier van die staatsdienst en uitgevoerd door iemand die, voor zover het al geen ambtenaar was, in ieder geval ten dienste van de overheid werkzaam was. Beide handelden in de uitoefening van hun functie: hiervoor is reeds uiteengezet dat de LID de vervolging van vermeende tegenstanders tot zijn staatsveiligheidstaak rekende. De officier en de man die [slachtoffer 1] als beul betitelde hebben daarbij nauw en bewust samengewerkt. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van medeplichtigheid aan het misdrijf foltering van [slachtoffer 1] . 8.1.
  33. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat: Bewezenverklaring feit 2: medewerkers van de (gevangenis van de) inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht, althans ten dienste van de Syrische overheid werkzame personen, in de uitoefening van hun functie, in de periode van 28 januari 2013 tot en met 1 maart 2013, te Aleppo, tezamen en in vereniging, [slachtoffer 1] hebben gefolterd, welke foltering hierin bestond dat voornoemde personen bij deze [slachtoffer 1] opzettelijk ernstige pijn of ernstig lijden veroorzaakten, lichamelijk en geestelijk, terwijl deze [slachtoffer 1] zich in gevangenschap bevond van voornoemde personen, met het oogmerk om van deze [slachtoffer 1] een bekentenis te verkrijgen en hem vrees aan te jagen, van overheidswege gepleegd. door, toen en aldaar, deze [slachtoffer 1] met een stok op zijn blote voeten en op zijn hoofd te slaan en meermalen in zijn zij en rug te schoppen en andere geweldshandelingen te plegen en hem te bedreigen met terdoodbrenging, door de volgende woorden te zeggen: “je wordt standrechtelijk berecht”, althans woorden van gelijke strekking, en andere handelingen te plegen die opzettelijk ernstige pijn of ernstig lijden veroorzaakten, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen op 28 januari 2013 te Al-Nayrab, opzettelijk behulpzaam is geweest, door deze [slachtoffer 1] , na hem in strijd met fundamentele regels van internationaal recht tezamen en in vereniging met anderen van zijn lichamelijke vrijheid te hebben beroofd, tezamen en in vereniging met anderen over te dragen aan de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht, terwijl hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat deze [slachtoffer 1] daardoor blootgesteld zou worden aan foltering. Bewezenverklaring feit 3: medewerkers van de (gevangenis van de) inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht, in de periode van 28 januari 2013 tot en met 1 maart 2013, te Aleppo, tezamen en in vereniging, [slachtoffer 1] hebben gemarteld, welke marteling hierin bestond dat voornoemde personen deze [slachtoffer 1] meermalen met een stok op zijn blote voeten en hoofd hebben geslagen en meermalen in zijn zij en rug hebben geschopt en andere geweldshandelingen hebben gepleegd en met terdoodbrenging hebben bedreigd, door de volgende woorden te zeggen: “Je wordt standrechtelijk berecht”, althans woorden van gelijke strekking, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen op 28 januari 2013 te Al-Nayrab opzettelijk behulpzaam is geweest, door deze [slachtoffer 1] , na hem in strijd met fundamentele regels van internationaal recht tezamen en in vereniging met anderen van zijn lichamelijke vrijheid te hebben beroofd, tezamen en in vereniging met anderen over te dragen aan de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht, terwijl hij, verdachte, bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat deze [slachtoffer 1] daardoor blootgesteld zou worden aan marteling, terwijl deze marteling onderdeel was van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverbreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door het Syrische inlichtingenapparaat en het Syrische leger en pro-regime milities tegen de Syrische burgerbevolking. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 9Vrijspraak feiten 4, 5 en 6 De verdachte wordt voorts verweten dat hij samen met anderen [slachtoffer 2] van zijn vrijheid heeft beroofd en vervolgens heeft overgeleverd aan de LID, waarna deze [slachtoffer 2] werd gemarteld en gefolterd. Op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] kan de rechtbank vaststellen dat [slachtoffer 2] in dezelfde nacht als [slachtoffer 1] is aangehouden en dat [slachtoffer 2] op enig moment in dezelfde auto als [slachtoffer 1] terecht gekomen is. Uit die verklaringen en de verklaring van [slachtoffer 2] afgelegd tijdens zijn immigratieverhoor door de Zweedse autoriteiten blijkt verder dat zij samen aan de LID zijn overgedragen, op hetzelfde moment in detentiecentra van de LID werden vastgehouden en ten slotte ook samen zijn vrijgekomen. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] hebben verklaard over geweldshandelingen die jegens [slachtoffer 2] zijn verricht in de periode dat zij werden vastgehouden. [slachtoffer 1] heeft onder andere verklaard dat [slachtoffer 2] in het tweede detentiecentrum door meerdere shabiha’s op zijn hoofd is geslagen en dat hij bij de overdracht naar dit detentiecentrum uit een helikopter geduwd werd, waardoor hij zijn voet heeft gebroken. Tijdens zijn verhoor bij de immigratiedienst heeft [slachtoffer 2] ook over dit (en ander) letsel gesproken en heeft hij daarnaast verklaard dat hij met elektriciteit is gemarteld. Voor de rechtbank staat vast dat [slachtoffer 2] van zijn vrijheid is beroofd en vervolgens is overgeleverd aan de LID en is gemarteld en gefolterd. De rechtbank kan echter, anders dan bij [slachtoffer 1] , niet vaststellen dat de verdachte bij de aanhouding of het vervolgens overdragen van [slachtoffer 2] aan de LID fysiek aanwezig is geweest. Hoewel de fysieke aanwezigheid van de verdachte op zich niet vereist is voor een bewezenverklaring van medeplegen, is uit het dossier evenmin gebleken van een bijdrage van de verdachte van anderszins voldoende gewicht. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en andere personen die wel bij de aanhouding en het overbrengen naar de LID van [slachtoffer 2] aanwezig waren. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de verdachte samen met anderen [slachtoffer 2] van zijn vrijheid heeft beroofd en spreekt hem daarom vrij van het onder 4 ten laste gelegde. Aangezien de betrokkenheid van de verdachte bij de marteling en foltering van [slachtoffer 2] gelegen is in zijn betrokkenheid bij de vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] en de verdachte daarvan wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de verdachte ook vrijspreken van het onder 5 en 6 ten laste gelegde.
  34. Feit 7: deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid 10.
  35. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte in de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2017 als leider heeft deelgenomen aan shabiha groepen en de pro-regime militie Liwa al-Quds, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, zoals ten laste gelegd. 10.
  36. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van dit feit het internationale juridische kader voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden toegepast. Aangezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: het Statuut van Rome) geen strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie kent, dient – gelet op de memorie van toelichting bij de Wim – voor het internationale juridische kader naar de deelnemingsvorm ex artikel 25, derde lid, onder d van het Statuut van Rome te worden gekeken. Toepassing van dit internationale juridische kader in plaats van toepassing van het juridisch kader naar Nederlands recht komt erop neer dat aan hogere eisen moet worden voldaan alvorens van deelneming aan een criminele organisatie kan worden gesproken. Aan deze hogere eisen wordt evenwel niet voldaan, aldus de verdediging, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 7 ten laste gelegde. Ten aanzien van lichamelijke geweldpleging als oorlogsmisdrijf heeft de verdediging gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat er tijdens het plegen van het geweld tijdens het neerslaan van de demonstraties tegen het regime (begin 2011) al sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict. Bovendien is onduidelijk of het gewapend conflict een substantiële rol heeft gespeeld in het begaan van het misdrijf, zoals voor de nexus tussen de gedragingen en het gewapend conflict vereist is. Ten aanzien van arbitraire detentie als oorlogsmisdrijf heeft de verdediging aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de aanhoudingen in strijd waren met de fundamentele regels van het internationaal recht. Ten aanzien van plundering als oorlogsmisdrijf heeft de verdediging betoogd dat alleen het toe-eigenen van goederen die toebehoren aan de vijand of de tegenstander in het conflict een oorlogsmisdrijf oplevert. 10.
  37. De beoordeling van de tenlastelegging De rechtbank zal hierna eerst het verweer bespreken dat het toepasselijk juridisch kader dat van artikel 25 van het Statuut van Rome is, waarna zij de tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie zal beoordelen. Invulling artikel 140 Sr Onder feit 7 wordt de verdachte verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van internationale misdrijven. Artikel 1, vierde lid, van de Wim bepaalt dat artikel 140 Sr wordt gelijkgesteld met de misdrijven omschreven in de Wim, indien artikel 140 Sr betrekking heeft op het begaan van internationale misdrijven. In de memorie van toelichting op de Wim is ten aanzien van artikel 2, tweede lid, van de Wim (oud), overwogen: “Het tweede lid (mede ontleend aan artikel 3, onderdeel 3, van de Wet Oorlogsstrafrecht) breidt de rechtsmacht uit tot een aantal delicten, in het buitenland gepleegd, die in nauw verband staan tot een in paragraaf 2 omschreven misdrijf (opruiing tot zo’n misdrijf, aanbod tot medeplichtigheid, heling). Daaraan toegevoegd is nu artikel 140 Sr, het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als omschreven in paragraaf
  38. Waar bijvoorbeeld een misdrijf tegen de menselijkheid in het buitenland door wie dan ook begaan hier vervolgbaar wordt, dient naar de mening van de regering hetzelfde te gelden voor het door middel van een criminele organisatie bijdragen aan het plegen van zo’n misdrijf.” Zoals uit de parlementaire geschiedenis van de Wim blijkt, dient de rechter zich bij de interpretatie van de in de Wim opgenomen internationale misdrijven te oriënteren op de uitleg die in het internationale strafrecht wordt gegeven aan de delictsomschrijving van deze misdrijven. Dit betekent dat de Nederlandse rechter acht zal dienen te slaan op de jurisprudentie van de internationale straftribunalen en het Internationaal Strafhof. In de memorie van toelichting bij de Wet van 8 december 2011, waarbij het huidige artikel 1, vierde lid, van de Wim werd ingevoerd, wordt toegelicht dat de gelijkstelling van bepaalde commune delicten met internationale misdrijven vereist is ter uitvoering van artikel 25 van het Statuut van Rome: “Uit het Statuut van Rome volgt dat strafrechtelijke beginselen als de aansprakelijkheid van bevelhebbers (artikel 28), de niet-verjaring (artikel 29) en de immuniteiten (artikel 27) zowel van toepassing zijn op de internationale misdrijven als de daarmee nauw verbonden commune misdrijven. Deze algemene strafrechtelijke beginselen zijn in paragraaf 3 en 4 van de Wim geïmplementeerd. Hierbij is het, mede gelet op het bepaalde in het Statuut van Rome, logischerwijs de bedoeling van de nationale wetgever geweest om voornoemde algemene beginselen ook te laten gelden voor de aanverwante commune misdrijven. Dit is gedaan door in het tweede lid van artikel 2 de desbetreffende commune misdrijven gelijk te stellen met in de Wim omschreven (internationale) misdrijven. Nu de gelijkstelling van de commune misdrijven met de internationale misdrijven in de context van de rechtsmacht (artikel 2 Wim) is geplaatst, kan dit mogelijk tot onduidelijkheid leiden ten aanzien van de toepasselijkheid van de algemene strafrechtelijke beginselen als opgenomen in paragraaf 3 en 4 van de Wim voor deze commune misdrijven. Door in artikel 1 Wim te bepalen – in plaats van in artikel 2 betreffende rechtsmacht – dat deze commune misdrijven voor zover gerelateerd aan een internationaal misdrijf worden gelijkgesteld met een in de Wim omschreven internationaal misdrijf, wordt verduidelijkt dat overal waar in de Wim wordt gesproken van «in deze wet omschreven misdrijven» dit ook betrekking heeft op de genoemde commune misdrijven.” Artikel 1, vierde lid van de Wim heeft de daar genoemde commune delicten gelijkgesteld aan de misdrijven die in de Wim zijn opgenomen in de artikelen 3 tot en met 8b. Met deze bepaling is zodoende niet beoogd nieuwe, zelfstandige strafbaarstellingen in te voeren: er wordt immers gesproken over gelijkstelling, niet over nieuwe strafbaarstellingen. Dat betekent dat bij de interpretatie van artikel 140 Sr als misdrijf dat is gelijkgesteld aan de misdrijven in de Wim uitsluitend de interpretatie zoals die door de Nederlandse strafrechter wordt gegeven in commune zaken leidend is. Indien bij de interpretatie van artikel 140 Sr met betrekking tot internationale misdrijven acht zou worden geslagen op de internationale jurisprudentie, dan heeft dit tot gevolg dat het commune delict van deelname aan een criminele organisatie een andere invulling krijgt met betrekking tot internationale misdrijven als de rechtsmacht op basis van universele jurisdictie wordt bepaald. Dat betekent dat artikel 140 Sr verschillend wordt uitgelegd al naar gelang de basis voor rechtsmacht en of de criminele organisatie betrekking heeft op het plegen van internationale misdrijven of op het plegen van commune misdrijven. Van een coherente en consistente uitleg van de voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid met betrekking tot het lidmaatschap van een criminele organisatie is dan niet langer sprake. Anders dan de verdediging begrijpt de rechtbank de Memorie van Toelichting aldus dat de oriëntatie op het internationaal strafrecht ziet op de invulling van de misdrijven waar het oogmerk van artikel 140 Sr op ziet, niet op de invulling van de overige bestanddelen van artikel 140 Sr. De rechtbank zal hierna de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie beoordelen naar Nederlandse maatstaven. 10.3.
  39. Organisatie Juridisch kader Met een organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Naarmate de samenwerking inniger en duurzamer is, zal eerder aan het vereiste van een samenwerkingsverband met een zekere structuur zijn voldaan. Een dergelijk samenwerkingsverband kan toevallig en in de loop der tijd ontstaan omdat men ‘werkenderweg’ ontdekt dat men een gezamenlijk doel heeft waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is. Zo'n samenwerkingsverband is niet afhankelijk van regels, uitdrukkelijke afspraken of hiërarchische verhoudingen, maar kan wel degelijk duurzaam zijn en aan het werken aan een gemeenschappelijk doel een bepaalde structuur ontlenen. Is sprake van een organisatie? De verdachte wordt verweten dat hij in Syrië heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een shabiha groep en/of Liwa al-Quds. De eerste vraag in die in dit kader dan ook voorligt, is of in de tenlastegelegde periode sprake is van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr. Uit de feiten en omstandigheden zoals genoemd in hoofdstuk 6 leidt de rechtbank (resumerend) het volgende af. Blijkens de vastgestelde feiten werden vanaf het begin van de opstand tegen het Syrische regime in 2011 shabiha groepen ingezet om de opstand te onderdrukken. Deze groepen werkten met elkaar samen, maar werden elk door een eigen leider aangestuurd. Door getuigen wordt verklaard over drie groepen die bestonden uit inwoners van de Al-Nayrab en Handarat kampen en die onder leiding stonden van [naam 6] , [naam 2] en [naam 3] . Deze groepen werden door het regime voorzien van wapens en middelen. Verschillende shabiha groepen, waaronder in ieder geval de groepen van [naam 6] , [naam 2] en [naam 3] , zetten hun activiteiten vervolgens voort onder de naam Liwa al-Quds. De rechtbank heeft in paragraaf 6.4.1.
  40. overwogen dat de acties die de shabiha groepen uit het Al-Nayrab kamp en het Handarat kamp voor de feitelijke oprichting van Liwa al-Quds uitvoerden, toegeschreven dienen te worden aan Liwa al-Quds. De oprichting van Liwa al-Quds was in feite immers een herstructurering van de shabiha groepen. De personen die lid waren van de shabiha groepen werden met de herstructurering namelijk lid van Liwa al-Quds. Ook speelden vrijwel alle leiders van de shabiha groepen van voor de oprichting van Liwa al-Quds, ook na de oprichting een prominente rol. [naam 3] werd bijvoorbeeld de militaire commandant van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.