← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:5965

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL23.18572 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M. de Jong). Procesverloop Bij besluit van 5 november 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van verzoeker met terugwerkende kracht tot 7 december 2018 ingetrokken en hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Bij besluit van 30 maart 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 16 december 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:15127) het beroep gegrond verklaard. Bij besluit van 22 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit opnieuw beroep ingesteld. Dit beroep staat geregistreerd met kenmerk NL.23.

  1. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2024 op zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst teneinde verzoeker in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken in te brengen. Nadat verzoeker de stukken heeft ingediend en verweerder hierop heeft gereageerd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
  2. Een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL23.18569, heeft de rechtbank op het beroep beslist. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
  3. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb in het beroep ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt en om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).
  4. De voorzieningenrechter bepaalt tot slot dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-. - bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt; Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.