← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:6397

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15088 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 5 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 8 april 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen. De rechtbank heeft het onderzoek op 17 april 2024 gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Angolese nationaliteit te hebben. Hij heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.
  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  3. Eiser heeft tegen de zware gronden 3b en 3c aangevoerd dat hij wel de intentie had zijn terugreis te regelen, maar dat hij hiervoor niet voldoende financiële middelen had. Daarnaast stelt hij dat hij wel medewerking heeft verleend aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit door openheid van zaken te geven en een kopie van zijn Portugese verblijfsdocument te overleggen. Tegen de lichte grond 4a wordt aangevoerd dat hij zich wel heeft gehouden aan zijn verplichtingen en zo snel mogelijk naar Portugal wil terugkeren. Tot slot voert eiser aan dat hij in Portugal staat geregistreerd en in Nederland bij vrienden en kennissen verblijft die hem ook financieel ondersteunen.
  4. De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat eiser niet daadwerkelijk naar Portugal is vertrokken en zich na de gegeven vertrekperiode niet meer heeft gemeld bij de autoriteiten. Daaruit volgt dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn. Verweerder heeft reeds op grond hiervan terecht aangenomen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van zijn vertrek ontwijkt of belemmert. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
  5. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
  6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr.E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open. Artikel 5.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.3, vierde lid, van het Vb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.