← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:6802

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/5700 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2024 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. D.J. Ladrak), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. M.A. Bakker). Inleiding In het besluit van 6 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser per 7 juli 2020 geen uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) meer ontvangt. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In het besluit van 30 september 2020 (het gewijzigde primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser per 7 mei 2020 voor 39,18% arbeidsongeschikt is en recht heeft op een WIA-uitkering. In dit besluit staat dat het primaire besluit is ingetrokken. Eisers bezwaar heeft van rechtswege betrekking op dit besluit. In het besluit van 5 januari 2021 (de beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar tegen het gewijzigde primaire besluit gegrond verklaard en bepaald dat eiser per 7 mei 2020 voor 48,79% arbeidsongeschikt is. In de beslissing op bezwaar staat dat de kosten tot een bedrag van € 525,- worden vergoed. Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld. In de uitspraak van 28 december 2022 is het beroep gegrond verklaard en is verweerder opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. In het besluit van 3 februari 2023 (de gewijzigde beslissing op bezwaar) heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en bepaald dat eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. In dit besluit staat dat verweerder de bezwaarkosten tot een bedrag van € 597,- zal vergoeden. In het besluit van 30 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat de vergoeding van de bezwaarkosten al is toegekend met de beslissing op bezwaar van 5 januari 2021en dat deze kosten niet opnieuw worden vergoed. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2024 op zitting behandeld. Partijen zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Overwegingen Gronden van eiser

  1. Eiser voert aan dat de vergoeding van de bezwaarkosten met de beslissing op bezwaar is toegekend omdat het primaire besluit is vervangen door het gewijzigde primaire besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Het arbeidsongeschiktheids-percentage was foutief berekend waardoor eiser geen recht had op een uitkering. Omdat het inhoudelijke beroep in die procedure bij uitspraak van 28 december 2022 gegrond was verklaard, diende verweerder ook de proceskosten in bezwaar te vergoeden. Dit heeft verweerder ook bepaald in de gewijzigde beslissing op bezwaar. Dit is een rechtmatige beslissing en hierbij is geen sprake van een kennelijke vergissing. Standpunt van verweerder
  2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergoeding van de bezwaarkosten al met de beslissing op bezwaar is toegekend. Daarom is met het bestreden besluit aan eiser meegedeeld dat verweerder per abuis in de gewijzigde beslissing op bezwaar heeft aangegeven de bezwaarkosten te vergoeden. Beoordeling door de rechtbank
  3. De rechtbank merkt het bestreden besluit aan als een gewijzigde beslissing op bezwaar ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten in bezwaar, zodat daartegen beroep openstaat.
  4. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
  5. De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaar heeft gemaakt met het bezwaarschrift van 26 mei
  6. Op dit bezwaar heeft verweerder voor de eerste keer een beslissing genomen op 5 januari
  7. Na de vernietiging van deze beslissing op bezwaar door de rechtbank in de uitspraak van 28 december 2022, heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen met het besluit van 3 februari
  8. Dit besluit is nog steeds een beslissing op het bezwaar van eiser van 26 mei
  9. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt voor de vergoeding van de bezwaarkosten een punt toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift. Voor alle overige schriftelijke aanvullingen op het bezwaarschrift kunnen geen extra punten worden toegekend.
  10. Verweerder heeft in het besluit van 5 januari 2021 al een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar toegekend ter hoogte van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift. Daarmee heeft verweerder vergoed wat op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komt. Verweerder heeft daarom in de beslissing op bezwaar van 3 februari 2023 ten onrechte nogmaals een vergoeding voor de proceskosten in bezwaar toegekend. Met het bestreden besluit heeft verweerder deze kennelijke vergissing mogen herstellen.
  11. Het beroep is ongegrond.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 mei
  13. griffier rechter de griffier is verhinderd te tekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, in samenhang met onderdeel A5 van de bijlage bij het Bpb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.