RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14470 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Hanna), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [naam]). Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag van 6 oktober
- Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
- Nu verweerder inmiddels een besluit op de aanvraag heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is niet-ontvankelijk.
- Eiser heeft de rechtbank ook verzocht de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet), zoals deze geldt sinds 11 juli 2021, is uitgesloten dat er een bestuurlijke dwangsom kan worden verbeurd. De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352, geoordeeld dat de Tijdelijke wet in zoverre rechtmatig is. De rechtbank wijst het verzoek om vaststelling van de bestuurlijke dwangsom dan ook af.
- Eiser krijgt wel een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Hij stelt namelijk terecht dat verweerder niet tijdig op zijn aanvraag heeft beslist. Weliswaar heeft verweerder de beslistermijn met WBV 2022/22 met negen maanden verlengd, maar deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 11 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3193, geoordeeld dat WBV 2022/22 onverbindend is. Verweerder moest daarom binnen zes maanden na de asielaanvraag een beslissing nemen. Eiser heeft na het verstrijken van de beslistermijn van zes maanden een geldige ingebrekestelling verstuurd en verweerder heeft pas na het instellen van het beroep een besluit genomen. Verweerder moet de proceskostenvergoeding betalen. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,-, bij een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om een bestuurlijke dwangsom vast te stellen af; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.M. Plukaard, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.