← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:7108

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/203114-22 Datum uitspraak: 10 mei 2024 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] , Bulgarije, BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 januari 2024 en 26 april

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk-Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H. Polat naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 15 februari 2020 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, (Kaapstraat), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, in emotionele toestand en/of huilend en met verminderd zicht zijn auto te besturen en/of de snelheid van zijn motorrijtuig niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [naam] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken knie en/of een gebroken heup en/of meerdere fracturen in het gezicht, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in emotionele toestand en/of terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 15 februari 2020 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, Kaapstraat, in emotionele toestand en/of huilend en met verminderd zicht zijn auto heeft bestuurd en/of de snelheid van zijn motorrijtuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2 dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in 's-Gravenhage op/aan de Kaapstraat, op of omstreeks 15 februari 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [naam] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten; 3 hij op of omstreeks 15 februari 2020 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 560 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. 3De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dat bewezen kan worden verklaard. 3.3 Vrijspraak feit 1 primair De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend bewezen is. Alhoewel uit de bewijsmiddelen volgt dat een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte het slachtoffer, [naam] heeft aangereden kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte schuld heeft gehad aan dat ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Zij zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit. 3.4 Gebruikte bewijsmiddelen Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020186507, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale operationele samenwerking (DH), afdeling infrastructuur (DH), team verkeer (DH), met bijlagen (pagina 1 t/m 116 van de digitale nummering). De rechtbank heeft voor de bewezenverklaring de volgende bewijsmiddelen gebruikt. Ieder bewijsmiddel is gebruikt voor dat feit of die feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.
  2. Het proces-verbaal aanhouding d.d. 15 februari 2020, voor zover inhoudende (p. 11 t/m 12): Op zaterdag 15 december 2020, omstreeks 02:20 uur, bevond ik mij op de Tesselschadelaan te Den Haag. Op de Melis Stokelaan zagen wij een zwarte auto rijden. Bij de kruising Melis Stokelaan met de Moerweg zag ik dat het een zwarte BMW betrof voorzien van kenteken [kenteken] . Op de [weg] ter hoogte van perceel [huisnummer 1] stopte de bestuurder van de BMW. Ik zag daarop dat de bestuurder [verdachte] heet en geboren is op [geboortedag]
  3. Gelijk hierna zei ik tegen [verdachte] dat ik een blaastest bij hem wilde afnemen. Ik zag dat de ogen van [verdachte] rood doorlopen waren, na vier pogingen lukte het [verdachte] om de ademtest te voltooien. Ik zag dat op de drager een A verscheen. Op zaterdag 15 december 2020, om 02:35 uur, hield ik de verdachte aan voor artikel
  4. Toen ik zijn auto wilde verplaatsen hoorde ik dat er rechts voor iets aan liep.
  5. Het verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse d.d. 18 maart 2020, voor zover inhoudende (p. 80 t/m 116); Op de Kaapstraat gelegen binnen de bebouwde kom van en in de gemeente Den Haag op het weggedeelte gelegen tussen het Kaapseplein en de Boerenstraat had een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een persoon. Ongeveer ter hoogte van perceel Kaapstraat [huisnummer 2] was een zwaar gewond persoon aangetroffen. In de nabijheid lagen verschillende voertuigonderdelen afkomstig van een zwarte BMW waardoor de indruk bestond dat deze persoon was aangereden. Bij dit ongeval waren betrokken: Een personenauto, merk BMW, type 3-serie, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kenteken] . Vergelijkend onderzoek: Het aangetroffen deel van de kunststof bumper bleek afkomstig van de rechter voorzijde van de personenauto. Wij zagen dat de vorm en het materiaal visueel met elkaar overeenkwamen. Bij het inpassen van het aangetroffen kunststof deel in de voorbumper zagen wij dat de breukvlakken met elkaar overeenkwamen en het kunststof deel kon worden ingepast De aangetroffen zwarte kunststof sier/stootstrip bleek afkomstig uit de rechterzijde van de voorbumper. De kunststof strip kwam qua kleur en materiaal visueel overeen met de nog op de voorbumper aanwezige sier/stootstrip aan de linkerzijde van de personenauto. Bij het inpassen van de stoot/sierstrip in de voorbumper zagen wij dat de strip kon worden ingepast op de bevestigingspunten in de voorbumper. De aangetroffen sierstrip voorzien van een zwarte verflaag bleek onder de rechter koplamp vandaan te komen. De sierstrip kon worden ingepast onder de rechter koplamp en de bevestigingspunten kwamen met elkaar overeen. Het aangetroffen aluminium spiegelhuis bleek afkomstig te zijn van het rechter voorportier van de personenauto. Wij zagen dat het spiegelhuis was afgebroken en dat de spiegelkap en het spiegelglas van het spiegelhuis waren losgekomen. Bij inpassen van het afgebroken spiegelhuis op het nog op het voertuig aanwezige bevestigingspunt zagen wij dat de breukvlakken van beide delen met elkaar overeenkwamen en het spiegelhuis kon worden ingepast. Uit ons onderzoek ter plaatse bleek ons het volgende: de voetganger werd aangetroffen aan de rechterzijde van de rijbaan tussen twee geparkeerde voertuigen. Kort voor deze positie werden ter hoogte van de drempel op de rijbaan van de Kaapstraat glassplinters aangetroffen die mogelijk afkomstig waren van het gebroken spiegelglas van de rechter buitenspiegel van de personenauto. Vanaf deze plaats troffen wij over een lengte van ongeveer 30 meter diverse onderdelen aan die na onderzoek afkomstig bleken te zijn van de personenauto. Ons inziens was ter hoogte van de verkeersdrempel de personenauto met de rechtervoorzijde in botsing gekomen met de voetganger die hierdoor vervolgens tussen de geparkeerde voertuigen terechtkwam.
  6. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 21 april 2020, voor zover inhoudende (p. 50): Medische informatie betreffende Achternaam: [naam] Voornamen: [naam] Uitwendig waargenomen letsel: - gebroken knie - gebroken heup - hoofd- en gezichtsbreuken. Geschatte duur van de genezing: 6-9 maanden.
  7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 16 februari 2020, voor zover inhoudende (p. 67-68): V: Wat gebeurde er toen nadat u in de auto zat? A: Dit was rond 01:00 a 02:00 uur. Ik was aan het huilen en wist toen niet wat ik moest doen. Ik besloot toen om sigaretten te gaan halen, want ik had geen sigaretten meer. Ik ben toen met de BMW sigaretten gaan halen bij het benzinestation in het Zuiderpark. V: Wat is er toen gebeurd? A: Nadat ik de sigaretten had gekocht wilde ik met een vriend praten. Toen belde ik die vriend. Dit kunt u zien in mijn telefoon. Op de Hoefkade bij de Esso ging ik mijn vriend bellen. Vervolgens ging ik al huilend verder rijden. Verderop hoorde ik een geluid. V: Kunt u stap voor stap vertellen wat er toen gebeurde bij dat geluid? A: Toen ik aan het huilen was hoorde ik een tik vanaf rechts. Ik ben toen doorgereden.
  8. Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 15 februari 2020 (p. 73 t/m 75): Procedure ademanalyse Op zaterdag 15 februari 2020 om 03:22 uur, zijnde het eerste tijdstip vermeld op de bijgevoegde afdruk, heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [opsporingsambtenaar] (HGL73029), opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 4, onder a, Wegenverkeerswet
  9. Dit eerste tijdstip is niet gelegen binnen 20 minuten na het tijdstip van vordering tot medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht zijnde zaterdag 15 februari 2020 om 02:29 uur. Er werd gebruik gemaakt van een ademanalyseapparaat dat is aangewezen door de Minister van Justitie en Veiligheid. Ik verklaar, dat is voldaan aan het bij dit apparaat behorende gebruikersvoorschrift. De verklaring van goedkeuring behorende bij dit apparaat, is geldig tot de datum die staat vermeld op de bij dit proces-verbaal bij gevoegde afdruk met het resultaat van het ademanalyseonderzoek. Ademanalyse voltooid onderzoek Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, waarvan de uitslag is vermeld op de bijgevoegde afdruk(ken). Aan de verdachte is direct meegedeeld, dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 560 ug/1 bedroeg. Tevens is medegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek voor eigen kosten. De verdachte heeft hier geen gebruik van gemaakt. 3.5 Bewijsoverwegingen Feit 1 subsidiair Bij de beoordeling of de verdachte een overtreding van artikel 5 WVW heeft begaan moet worden vastgesteld of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd. Hiervan is sprake. De verdachte is na een ruzie met zijn vrouw al huilende gaan rijden. In een straat met aan beide zijden parkeervakken met auto’s erin en verkeersdrempels heeft hij vervolgens [naam] aangereden. Hij heeft zijn auto dus niet tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Feit 2 De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat niet uit het dossier kan worden afgeleid dat [naam] is aangereden door een auto. De rechtbank verwerpt dat verweer. [naam] is omstreeks half drie ’s nachts liggend op de Kaapstraat aangetroffen met letsel (o.a. een gebroken heup) dat past bij een aanrijding door een auto. In de nabijheid van [naam] lagen verschillende voertuigonderdelen, afkomstig van een zwarte BMW. De verdachte is rond dezelfde tijd in de buurt van de Kaapstraat aangehouden terwijl hij reed in een zwarte BMW met schade aan de voorzijde. De in de nabijheid van [naam] aangetroffen brokstukken pasten op de auto waarin de verdachte is aangehouden. Gelet op deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte [naam] heeft aangereden. De verdachte is na het ongeval doorgereden en heeft [naam] aan zijn lot overgelaten. Bij de beoordeling of de verdachte artikel 7 WVW heeft overtreden moet worden vastgesteld of de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten dat aan een ander letsel is toegebracht. De rechtbank stelt vast dat de verdachte op zijn minst had moeten vermoeden dat aan een ander letsel was toegebracht. De verdachte heeft immers verklaard een tik vanaf rechts te hebben gehoord en toen hij werd aangehouden liep er rechtsvoor iets aan bij de auto, zo merkte de verbalisant die de auto verplaatste. De verdachte had onder deze omstandigheden niet moeten doorrijden toen hij een tik hoorde, maar moeten uitstappen en controleren wie of wat hij had geraakt. Feit 3 Uit de onder 3.4 weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte een auto heeft bestuurd na het gebruik van alcohol. Uit de bij verdachte afgenomen blaastest is immers gebleken dat zijn adem 560 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bevatte. Dat is meer dan de toegestane grenswaarde van 220 microgram per liter. De verdachte heeft ook verklaard wijn te hebben gedronken op de avond voorafgaand aan het ongeval. 3.6 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1 hij op 15 februari 2020 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, Kaapstraat, in emotionele toestand zijn auto heeft bestuurd en de snelheid van zijn motorrijtuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt; 2 dat hij, als degene door wiens gedraging (als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in 's-Gravenhage op de Kaapstraat, op 15 februari 2020 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [naam] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten; 3 hij op 15 februari 2020 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 560 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, een geldboete van € 750,- en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, ondanks dat hij meent dat er minder tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden dan de officier van justitie heeft gevorderd, de strafeis passend is. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte is in de nacht van 14 op 15 februari 2020 gaan rijden terwijl hij emotioneel was en teveel had gedronken. De verdachte had geen rijbewijs. Hij heeft een ongeval veroorzaakt waarbij hij een overstekende voetganger heeft aangereden. Hoewel het slachtoffer slechts een summiere verklaring heeft afgelegd, maakt de rechtbank uit het dossier op dat het slachtoffer fors letsel heeft opgelopen in de vorm van onder meer breuken in zijn heup, knie en gezicht. De verdachte is na het ongeval doorgereden en heeft zich in het geheel niet om het slachtoffer bekommerd. In zijn verhoren bij de politie en tijdens de zitting in zijn strafzaak heeft de verdachte nauwelijks inzicht gegeven in zijn handelen, maar enkel gesteld dat hij de aanrijding niet gemerkt heeft. Daar staat tegenover dat hij ter zitting spijt heeft betuigd en duidelijk heeft gemaakt dat de gevolgen voor het slachtoffer hem raken. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 maart
  10. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder (en ook niet na de ten laste gelegde feiten) voor enig strafbaar feit is veroordeeld. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, waaronder dat de verdachte inmiddels een rijbewijs heeft gehaald en voor zijn werk afhankelijk is van zijn auto. De straf De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is voor het derde bewezenverklaarde feit, het rijden onder invloed, als uitgangspunt vermeld een boete van € 650,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken en zal een boete van die hoogte opleggen. Voor de overtreding van artikel 5 WVW acht de rechtbank in dit geval een taakstraf van 70 uren passend. Voor het verlaten van de plaats van een ongeval acht de rechtbank een taakstraf van 30 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaren passend. Al met al volgt de rechtbank aldus – op de hoogte van de boete na – de eis van de officier van justitie en het standpunt van de raadsman. De redelijke termijn De verdachte is op 15 februari 2020 in verzekering gesteld. Dat betekent dat de redelijke termijn op het moment van de uitspraak in deze zaak met twee jaar en bijna drie maanden is overschreden. De rechtbank volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 7De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, van het Wetboek van Strafrecht; - 5, 7, 8, 176, 177, 179 van de Wegenverkeerswet
  11. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 8De beslissing De rechtbank: Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1 subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 ten aanzien van feit 2: overtreding van artikel 7 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 ten aanzien van feit 3: overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: ten aanzien van feit 1 subsidiair een taakstraf voor de duur van ZEVENTIG

(70)UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van VIJFENDERTIG
(35)DAGEN; ten aanzien van feit 2 een taakstraf voor de duur van DERTIG
(30)UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van VIJFTIEN
(15)DAGEN; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraffen geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag; veroordeelt verdachte ter zake van feit 2 voorts tot: een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de periode van ÉÉN
(1)JAAR; bepaalt dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de eventuele uitvoering van de hem voorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; veroordeelt de verdachte voorts ter zake van feit 3 tot: een geldboete van zeshonderdvijftig euro (€ 650,-); bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van DERTIEN
(13)dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boot, voorzitter, mr. P. van Essen, rechter, mr. S. Pereth, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 mei 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.