uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.40044 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Zuithoff). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om hem uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 december 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Daartegen heeft eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 3. De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahmoudzadeh Anvar als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Vrijstelling griffierecht 4. Eiser heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiser wordt in deze procedure daarom vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Inhoudelijke beoordeling 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder ervan mocht afzien om aan eiser uitstel van vertrek te verlenen. Deze beoordeling zal plaatsvinden aan de hand van de door eiser ingediende beroepsgronden. 6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Waar gaat het om? 7. Eiser kampt met (voornamelijk) psychische klachten die het gevolg zijn van negatieve belevingen in zijn jeugd. Dit volgt uit door eiser overgelegde medische informatie. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij momenteel niet uitgezet kan worden. Dit in verband met zijn psychische klachten en een (mogelijke) neurologische aandoening. 8. Verweerder heeft zich nadat BMA op 16 augustus 2023 een advies heeft uitgebracht, op het standpunt gesteld dat eiser kan reizen en dat er geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. Verweerder heeft gelet op de inhoud van dit medisch advies besloten om eiser geen uitstel van vertrek te verlenen. Juridisch kader 9. De rechtbank overweegt dat niet alleen sprake kan zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor een uitzetting leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte en door die uitzetting komt te verkeren in een situatie die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt, maar dat uit punt 183 van het arrest Paposhvili1 volgt dat hiervan ook in andere zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn. Dit indien gewichtige redenen zijn aangevoerd om aan te nemen dat een ernstig zieke vreemdeling, al is deze niet stervende, bij uitzetting een reëel risico loopt op een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in zijn gezondheid, resulterend in een intens lijden of een significante vermindering van de levensverwachting door de afwezigheid van adequate behandeling in het land van herkomst of gebrek aan toegang tot een dergelijke behandeling. 10. Het is vaste jurisprudentie dat de beoordelingswijze, waarbij de staatssecretaris aan de hand van het BMA-advies beoordeelt of het uitblijven van behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, in overeenstemming is met de maatstaf die het EHRM in punt 183 van het arrest Paposhvili hanteert. De staatssecretaris mag hierbij uitgaan van een termijn van drie maanden, omdat deze termijn aansluit bij het in punt 183 neergelegde vereiste van een snelle achteruitgang in de gezondheidssituatie.2 10. Eiser heeft er in de gronden van beroep op gewezen dat verweerder in het besluit onder verwijzing naar het BMA-advies overweegt dat er bij het uitblijven van de behandeling geen medische noodsituatie bestaat. Verweerder miskent volgens eiser dat de 1. Arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810. 2 Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2019:132 en uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2628. medisch adviseur zich niet heeft uitgelaten over de vraag of er zich een situatie zal voordoen van intens psychisch lijden bij uitzetting. 12. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet slaagt. Immers, uit de voorgaande jurisprudentie volgt dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat hij geen onderzoek hoefde te doen naar het optreden van intens psychisch lijden bij uitzetting, reeds omdat de beoordeling van verweerder naar een medische noodsituatie op korte termijn in overeenstemming is met de maatstaf uit het arrest Paposhvili. Verweerder hanteert dus geen te streng toetsingskader door aan eiser tegen te werpen dat geen sprake is een medische noodsituatie. Herhaling gronden van bezwaar in beroepschrift 13. In zijn beroepschrift herhaalt eiser in randnummers 1, 2 en 3 (grotendeels) de gronden die hij reeds in bezwaar heeft aangevoerd. De rechtbank zal eerst op deze herhaalde gronden ingaan voordat de rechtbank de overige gronden van beroep zal bespreken. 14. Verweerder heeft zich in het primaire besluit en het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser kan reizen en een medische noodsituatie op korte termijn niet wordt verwacht waardoor er geen beletselen voor uitzetting zijn. Voor zover eiser in zijn gronden van beroep (vrijwel woordelijk) heeft herhaald wat hij reeds in zijn gronden van bezwaar had aangevoerd, stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit op alle gronden die in bezwaar zijn aangevoerd gemotiveerd is ingegaan. Het lag dan ook op de weg van eiser om nader te motiveren waarom het bestreden besluit desalniettemin, niet in stand kan blijven. Een dergelijke herhaling van de gronden van bezwaar in de gronden van beroep is onvoldoende om tot gegrondverklaring van het beroep te komen. Deze herhaling is evenmin voldoende om de conclusies van verweerder voldoende gemotiveerd betwist te achten. Het BMA-advies 15. In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat het BMA-advies onjuist en onvolledig is en dat verweerder verzuimd heeft om een aanvullend BMA-advies te vragen. Ter onderbouwing van de onvolledigheid en onjuistheid van het BMA-advies wijst eiser op diverse punten in het BMA-advies. Eiser stelt allereerst dat de aanvraag van eiser ten onrechte separaat is behandeld van de aanvraag van zijn vrouw, nu uit de verklaring van 28 juli 2023 van de psychologen [psycholoog 1] en [psycholoog 2] blijkt dat de echtgenote van eiser wordt betrokken bij zijn therapie. Daarnaast heeft de medisch adviseur ten onrechte geen nader onderzoek gedaan naar de medische klachten waarvoor hij naar een neuroloog is doorverwezen en de behandeling die hij hiervoor ondergaat. Evenmin motiveert de medische adviseur waarom die informatie niet nodig is om te komen tot een zorgvuldig en goed gemotiveerd advies. Verweerder heeft het BMA volgens eiser ten onrechte niet gevraagd om een nadere reactie. Het is een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de volledigheid van het BMA-advies. Eiser wijst in dat verband ook op weggevallen informatie in het BMA-advies over een behandeling van een aandoening door de huisarts, omdat een zin daarover in het advies niet is afgemaakt. Verweerder had moeten navragen bij het BMA welke informatie in het advies is weggevallen. Ook daarom voldoet verweerder niet aan de vergewisplicht, aldus eiser. Verder heeft verweerder volgens eiser ten onrechte volstaan met een standaardoverweging ten aanzien van het bestaan van ernstige psychische klachten en/of een suïciderisico bij eiser. Hij wijst daarbij op de medische verklaring van 28 juli 2023 waarin staat: ‘In de behandeling is gestart met steunende en structurerende behandelcontacten in het kader van stabilisatie, waarbij aandacht werd gegeven aan crisispreventie, psycho-educatie, stabilisatievaardigheden om met angst om te gaan en cgt- interventies om somberheid en passiviteit te verbeteren.’ Tot slot gaat de medisch adviseur in zijn advies uit van het referteland Iran, terwijl verweerder voornemens is om eiser te verwijderen naar Azerbeidzjan, aldus eiser. Eiser meent dat de medisch adviseur had moeten onderzoeken wat de gevolgen zijn van het uitblijven van een behandeling bij terugkeer naar Azerbeidzjan. 16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen aanvullend BMA-advies hoefde te vragen. Hierbij mocht verweerder betrekken dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, al dan niet aan de hand van medische stukken, dat aan de inhoud van het BMA-advies getwijfeld kan worden. Verweerder wijst er ook niet ten onrechte op dat de medische informatie van eiser d.d. 28 juli 2023 in het BMA-advies van 16 augustus 2023 is meegenomen en beoordeeld is. In zoverre kan eiser niet worden gevolgd in zijn standpunt dat verweerder verzuimd heeft te motiveren waarom geen (nader) onderzoek is gedaan naar de medische klachten en medische behandeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.