RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.39763 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser, V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van 10 juli
- 1.1 Bij besluit van 13 maart 2024 heeft verweerder alsnog een verblijfsvergunning asiel aan eiser verleend. Desgevraagd heeft eiser meegedeeld het beroep te handhaven met het oog op het vaststellen van de (bestuurlijke) dwangsom en de proceskostenveroordeling. 1.2 Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
- Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
- Eiser verzoekt de rechtbank om de door verweerder verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De Tijdelijke wet sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Het gevolg daarvan is dat verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsom kan verbeuren.
- De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 november 2022 geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Tijdelijk wet op dit punt onverbindend moet worden geacht wegens strijd met het Unierecht.
- Nu artikel 1 van de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Hieronder legt de rechtbank uit waarom daarvoor geen aanleiding bestaat.
- De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit op de asielaanvraag moet nemen. Op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw geldt een uitzondering indien in het kader van de asielaanvraag wordt onderzocht of op grond van de Dublinverordening een andere lidstaat voor de behandeling van de aanvraag verantwoordelijk is. In zo’n geval vangt de beslistermijn van de staatssecretaris aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Hierbij mag de maximale termijn van 21 maanden die volgt uit artikel 35, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, niet worden overschreden.
- Eiser heeft op 10 juli 2022 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De staatssecretaris heeft in eerste instantie een andere lidstaat verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de asielaanvraag. Op 20 april 2023 heeft de staatssecretaris aan eiser bericht dat zijn asielaanvraag in de nationale procedure zal worden behandeld. Dat maakt dat de staatssecretaris vanaf 20 april 2023 verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat de termijn waarbinnen de staatssecretaris op eiser zijn asielaanvraag moet beslissen op dat tijdstip is aangevangen.
- Op het moment dat eiser is toegelaten in de nationale procedure is Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2022/22 van toepassing op de asielaanvraag van eiser en is de beslistermijn met negen maanden verlengd. De beslistermijn op de asielaanvraag van eiser zou daarom eindigen op 20 juli
- De maximale beslistermijn van 21 maanden vanaf de indiening van de asielaanvraag eindigt echter eerder, op 10 april
- Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval eindigt de beslistermijn op 10 april
- Eiser heeft verweerder op 4 december 2023 in gebreke gesteld. Dat betekent dat op het moment van de ingebrekestelling de beslistermijn nog niet was verstreken, waardoor de ingebrekestelling te vroeg is ingediend. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:
- Verordening (EU) nr. 604/
- Richtlijn 2013/
- Artikel 42, zesde lid, van de Vw. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3698, ECLI:NL:RBDHA:2023:3697, en ECLI:NL:RBDHA:2023:3701) geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van de WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.