Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/029675-24, 22-001908-21 (tul), 09/175982-23 (ttz.gev.), 09/252565-22 (ttz.gev.) en 09/295289-23 (ttz.gev.) Datum uitspraak: 21 mei 2024 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] , op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 7 mei 2024 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Nauta en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. H.E. Berman naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft op 25 maart 2024 een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aanhangig gemaakt. Deze vordering is op de terechtzitting van 7 mei 2024 behandeld. Op deze vordering beslist de rechtbank in een afzonderlijk vonnis. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van dagvaarding I (09/175982-23) De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat bij de verdachte ketamine is aangetroffen en dat niet valt onder de Opiumwet. Ten aanzien van dagvaarding II (09/252565-22) (feit 2) De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van witwassen van € 8.498,85. Het contante geld heeft de politie aangetroffen in de tas van de verdachte. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat het geld deels afkomstig is uit zijn drugshandel en deels afkomstig is van gokwinst. Door het vermengen van het geld is al het geld volgens de officier van justitie aan te merken als afkomstig uit een misdrijf. De verdachte heeft de herkomst van het geld verhuld, door het op zijn rekening te laten storten. Al met al is er volgens de officier van justitie sprake van witwassen. Ten aanzien van dagvaarding IV (09/029675-24) (feit 1 en 2) De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat bij de verdachte cocaïne werd aangetroffen, ook al ontbreken resultaten van een onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Er heeft een positieve indicatieve cocaïnetest plaatsgevonden en daarnaast heeft de afnemer die kort voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte drie ponypacks van de verdachte heeft gekocht, verklaard dat hij al maanden cocaïne bij de verdachte kocht. Volgens de officier van justitie is er sprake van eendaadse samenloop van de feiten 1 en 2. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I (09/175982-23) tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding II (09/252565-22), III (09/295289-23) en IV (09/029675-24) tenlastegelegde. 3.2. Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van dagvaarding I (09/175982-23) De raadsvrouw is met de officier van justitie eens dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat ketamine niet onder de Opiumwet valt. Ten aanzien van dagvaarding II (09/252565-22) (feit 2) De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de herkomst van het geld niet heeft verhuld en dat er dus geen sprake is van witwassen. De verdachte heeft drugs verkocht en hiervoor geld gekregen. Er heeft daarmee nog geen verhullingshandeling plaatsgevonden. Volgens de raadsvrouw is de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing. De verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken. Ten aanzien van dagvaarding III (09/295289-23) (feit 1) De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat niet is voldaan aan het bestemmingsvereiste. Er zijn bij de verdachte geen goederen aangetroffen die zodanig bestemd zijn voor drugshandel, waardoor de drempel voor het bewezen verklaren van voorbereidingshandelingen niet kan worden gehaald. Ten aanzien van dagvaarding IV (09/029675-24) (feit 1 en 2) De raadsvrouw heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, nu resultaten van het onderzoek van het NFI ontbreken en er geen aanvullende feiten en omstandigheden zijn die bevestigen dat er sprake is van cocaïne. De raadsvrouw heeft vrijspraak van de bij dagvaarding I, II onder 2, III onder 1 en IV onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bepleit en heeft zich met betrekking tot het overige tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Vrijspraak Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank met betrekking tot het bij dagvaarding I (09/175982-23) ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, nu ten laste is gelegd het aanwezig hebben van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, terwijl het in deze zaak ketamine betreft en ketamine niet op lijst I voorkomt. 3.4. Opgave van bewijsmiddelen De rechtbank zal voor een deel van de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: Ten aanzien van dagvaarding II (09/252565-22) (feit 1): 1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 mei 2024; 2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 oktober 2022 (PL1500-2022295608-23); 3. de deskundigenverslagen, te weten de rapporten van het NFI van 20 oktober 2022 (PL1500-2022295608-23, los toegevoegd aan het procesdossier). Ten aanzien van dagvaarding II (09/252565-22) (feit 3): 1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 mei 2024; 2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 mei 2023 (p. 58-102); 3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 mei 2023 (p. 103-115). Ten aanzien van dagvaarding III (09/295289-23) (feit 2): 1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 mei 2024; 2. het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 8 november 2023 (p. 13-16); 3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 november 2023 (p. 3-4 aanvullend proces-verbaal); 4. het deskundigenverslag, te weten het rapport van het NFI van 27 november 2023 (p. 5 aanvullend proces-verbaal). 3.5. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Ten aanzien van dagvaarding II (09/252565-22) (feit 2): 1. het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 2 oktober 2022, voor zover inhoudende (p. 5-9): Op 2 oktober 2022 hielden wij te Wassenaar als verdachte aan: [verdachte] . Na de aanhouding werd bij [verdachte] een pak bankbiljetten aangetroffen gewikkeld in doorzichtig cellofaan. In zijn broekzakken zat totaal aan brief en munt geld: 5 x 50 euro biljet; 1 x 20 euro biljet; 14 x 10 euro biljet; 4 x 2 euro stuk; 1 x 50 cent stuk; 3 x 10 cent stuk; 1 x 5 cent stuk. Het pak geld in het cellofaan betrof: 46 x 50 euro biljet; 288 x 20 euro biljet; 2 x 10 euro biljet. 2. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 mei 2024, voor zover inhoudende: U houdt mij voor dat de politie bij mij een bedrag van € 8.498,85 heeft aangetroffen. Het geld was voor een deel afkomstig van drugs. De rest was van de handel in cocaïne. Ten aanzien van dagvaarding III (09/295289-23) (feit 1): 1. het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 8 november 2023, voor zover inhoudende (p. 13-16): Op 8 november 2023 bevonden wij ons te Delft. Wij hoorden dat de collega's een ANPR-hit hadden gekregen en dit voertuig meebrachten naar ons controlevak. Ik zag dat het rijbewijs op naam stond van: [verdachte] ( [verdachte] ). Wij zagen dat hij twee smartphones op zijn voertuig legde. Wij zagen dat hij uit zijn broekzakken twee stapels briefgeld haalde. Ik voelde dat er bij zijn billen een onnatuurlijke harde bobbel ter hoogte van zijn bilspleet zat. Wij zagen dat hij met zijn hand in zijn onderbroek ging en een zwarte sok bij de zijde van zijn billen eruit haalde. Wij zagen dat er in deze sok meerdere witte pony-packs zaten. Deze pony-packs waren met elastiek aan elkaar gebonden. Dit bleek later te gaan om 33 ponypacks welke positief testte op cocaïne/crack. 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 november 2023, voor zover inhoudende (p. 6-12): Deze goederen kwamen na een fouillering uit zijn kleding. De totale waarde van het geld was 743,65 euro. Dit is als volgt samengesteld: 1x 100 eurobiljet 11x 50 eurobiljet 3x 20 eurobiljet 6x 5 eurobiljet 3,65 euro muntgeld. Het aantal ponypacks betrof 33 stuks. 3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 november 2023, voor zover inhoudende (p. 3-4 aanvullend proces-verbaal): Wij zagen 33 toegevouwen papiertjes met hierin wit poeder. Hier hebben wij een monster van gemaakt en voorzien van SIN: AAQL3513NL. 4. Het deskundigenverslag, te weten het rapport van het NFI van 27 november 2023 (p. 5 aanvullend proces-verbaal). AAQL3513NL poeder, wit, 24,6 gram. Bevat cocaïne. Ten aanzien van dagvaarding IV (09/029675-24) (feit 1 en 2): 1. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 26 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 15-18): Op 26 januari 2024 reden wij, verbalisanten, in Rijnsburg. Ik zag dat er een personenauto, merk Volkswagen met kenteken [kenteken] , voorbij reed. Ik herkende de bestuurder als [verdachte] . Ik weet dat [verdachte] in drugs handelt. Wij zagen dat genoemd voertuig parkeerde naast een personenauto, Mercedes. Wij zagen dat de bestuurder uit de Mercedes stapte en liep naar de passagierszijde van de Volkswagen Polo en daar instapte. Wij zagen dat de passagier na 30 seconden weer uit de auto stapte en richting zijn auto liep. Op dat moment zijn wij richting de genoemde auto's gereden. Ik kreeg een rijbewijs overhandigd en zag de volgende personalia: [verdachte] . Wij hebben de volgende goederen inbeslaggenomen: - de 3 ponypaks die [naam] in zijn bezit had; - twee telefoons: de blauwe Iphone deze had [verdachte] op zak, de tweede smart Phone ook een zwarte deze lag op de bestuurderstoel van de witte VW polo waar [verdachte] in reed; - het briefgeld dat [verdachte] op zak had. 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 9-10): Nadat ik, Holswilder, [naam] staande had gehouden, heb ik hem gevraagd wat hij in die VW Polo had gedaan waar hij zojuist was in en uitgestapt. Ik hoorde dat [naam] aangaf dat hij drugs had gehaald. Ik vroeg vervolgens om welke drugs het ging. Ik hoorde dat [naam] aangaf dat het om coke ging. Ik hoorde dat [naam] aangaf dat hij al een paar maanden drugs bij hem koopt. [naam] toonde mij de volgende contact gegevens: Ik zag de naam Haas staan. 3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 11): In meerdere processen verbaal van bevindingen en in het proces verbaal van aanhouding is abusievelijk de naam [naam] genoemd in plaats van de correcte naam: Kromhout. 4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 13-14): Tijdens de aanhouding is het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] in beslag genomen. Ik voelde aan de dakbedekking van het voertuig en ik voelde dat de dakbedekking aan de kant van het voorraam van het voertuig wat los zat. Ik trok de dakbedekking wat omlaag en ik zag via het raam dat daar de ponypacks lagen. Ik zag dat de dakbedekking bij het voorraam van links naar rechts helemaal vol lag met ponypacks. Ik testte alle ponypacks met verschillende verpakkingen met een MMC/cocaïne/crack test. En alle drie de tests zijn positief. 5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 40-41): Ik ontving een kleine hoeveelheid, qua kleur en samenstelling, op cocaïne gelijkende stof. Bij een door mij gehouden MMC kleur-reactietest bleek dat deze stof positief reageerde op de aanwezigheid van cocaïne. 6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 42-43): Ik onderzocht een door mij aangetroffen hoeveelheid, qua kleur en samenstelling, op cocaïne gelijkende stof. Bij een door mij gehouden MMC kleur-reactietest bleek dat deze stof positief reageerde op de aanwezigheid van cocaïne. 7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 44-45): Ik onderzocht een door mij aangetroffen hoeveelheid, qua kleur en samenstelling, op cocaïne gelijkende stof. Bij een door mij gehouden MMC kleur-reactietest bleek dat deze stof positief reageerde op de aanwezigheid van cocaïne. 3.6. Bewijsoverwegingen Ten aanzien van dagvaarding II (09/252565-22) (feit 2) Op 2 oktober 2022 heeft de politie de verdachte aangehouden. De politie trof bij de verdachte in een vak aan de voorzijde van zijn trui een pak bankbiljetten aan dat gewikkeld was in doorzichtig cellofaan. Tevens vond de politie in de broekzak van de verdachte brief- en muntgeld. Het totale bedrag bedraagt € 8.498,85. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (eenvoudig) witwassen van die € 8.498,85. Voor een bewezenverklaring van eenvoudig witwassen, strafbaar gesteld in artikel 420bis.1 Sr, is vereist dat vaststaat dat het voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf en dat de verdachte het voorwerp heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad. Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, is voor een bewezenverklaring van eenvoudig witwassen niet vereist dat de verdachte de criminele herkomst van het voorwerp heeft verborgen of verhuld. De rechtbank stelt op grond van het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte vast dat de verdachte het aangetroffen geldbedrag voorhanden heeft gehad. Het geld zat immers opgeborgen in de trui en de broek van de verdachte. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het aangetroffen geld uit enig eigen misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een deel van het geld, te weten € 2.000,00, heeft gewonnen bij een casino en dat het overige deel van het geld afkomstig is uit zijn eigen misdrijf, te weten de handel in harddrugs. Dat de verdachte € 2.000,00 heeft gewonnen bij een casino kan hij niet onderbouwen. In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het vermengde vermogen worden aangemerkt als mede uit misdrijf afkomstig. Mede gelet op het feit dat de verdachte geen onderbouwing heeft voor zijn gokwinst, oordeelt de rechtbank dat het volledige bedrag van € 8.498,85 uit eigen misdrijf afkomstig is. Op grond van het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte het aangetroffen geldbedrag van € 8.498,85 voorhanden heeft gehad en dat het geldbedrag afkomstig is van zijn eigen misdrijf, namelijk zijn handel in drugs. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden het eenvoudig witwassen van een bedrag van € 8.498,85. Ten aanzien van dagvaarding IV (09/029675-24) (feit 1 en 2) De politie heeft op 26 januari 2024 verschillende ponypacks bij de verdachte aangetroffen. Op de inhoud van de ponypacks werden indicatieve testen uitgevoerd. Deze testen gaven een positief resultaat voor wat betreft de aanwezigheid van cocaïne. Hiervan zijn drie processen-verbaal van bevindingen opgemaakt. De rechtbank stelt vast dat er na deze indicatieve testen geen forensisch onderzoek meer heeft plaatsgevonden om vast te stellen dat de inhoud van de aangetroffen ponypacks daadwerkelijk cocaïne betreft. Een enkele indicatieve test zonder bijkomende omstandigheden is echter onvoldoende om dit met zekerheid vast te stellen. In deze zaak spelen de volgende bijkomende omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank een rol. De politie had, gelet op de omstandigheden, het vermoeden dat er een drugsdeal had plaatsgevonden tussen de verdachte en de heer Kromhout. Kromhout werd om die reden door de politie staande gehouden. Hij heeft verklaard dat hij vlak daarvoor cocaïne van de verdachte heeft gekocht, dat hij dit bij de verdachte al vaker in de afgelopen maanden heeft gedaan en dat het iedere keer cocaïne betrof. De verdachte zelf zwijgt hierover. In dit geval acht de rechtbank, gelet op de indicatieve testen en de bijkomende omstandigheden zoals hierboven omschreven, wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen ponypacks cocaïne bevatten. De rechtbank oordeelt dan ook dat de bij dagvaarding IV onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. 3.7. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding II (09/252565-22), III (09/295289-23) en IV (09/029675-24) ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: Ten aanzien van dagvaarding II (09/252565-22): 1hij op 2 oktober 2022 te Wassenaar opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 16,7 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2 hij op 2 oktober 2022, te Wassenaar een geldbedrag (van 8.498,85 euro) Sub b- voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp afkomstig was uit enig eigen misdrijf; 3 hij op tijdstippen in de periode van 30 juli 2021 tot en met 1 oktober 2022 te Leiden en Noordwijk opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; Ten aanzien van dagvaarding III (09/295289-23): 1hij op 8 november 2023 te Delft om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,te weten- het opzettelijk verkopen en afleveren - van een of meerdere hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en voorhanden heeft gehad: - voorwerpen, vervoermiddelen, gelden en:- 33 bolletjes en/of ponypacks met daarin cocaïne (in totaal 24,6 gram) en- een of meerdere telefoons en- een voertuig (personenauto) met een ANPR hit en- een (grote) hoeveelheid geldbedragen (briefjes) en kleine coupureswaarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit; 2hij op 8 november 2023 te Delft opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 24,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; Ten aanzien van dagvaarding IV (09/029675-24): 1hij, op 26 januari 2024 te Rijnsburg, binnen de gemeente Katwijk, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2hij, op 26 januari 2024 te Rijnsburg, binnen de gemeente Katwijk, opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere ponypacks bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, namelijk een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, meewerken aan schuldhulpverlening en aan middelencontrole. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft voor wat betreft de strafmaat drie alternatieve mogelijkheden voorgesteld:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.