RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15235 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. H.K. Westerhof), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.E. van Midden). Procesverloop Bij besluit van 8 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL24.16785) op 8 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Berghuis, die waarneemt voor gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Ates. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1990 en de Turkse nationaliteit te hebben. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 9 augustus 2023 illegaal via Kroatië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en op die datum een verzoek om internationale bescherming in Kroatië heeft ingediend. Op 17 oktober 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Op 12 december 2023 heeft Nederland de autoriteiten van Kroatië verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Op 26 december 2023 zijn de autoriteiten van Kroatië hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, Dublinverordening. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 12 december 2023 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft dit verzoek om terugname geaccepteerd. Daarbij vertrouwt verweerder erop dat Kroatië zijn internationale verdragsverplichtingen voor de behandeling van de asielaanvraag nakomt. Tot slot zijn de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd niet voldoende bijzonder om van de overdracht aan Kroatië af te zien vanwege een onevenredige hardheid, in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgronden 4. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ter zitting is gebleken/verklaard door eiser dat hij thans enkel betoogt dat verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken gelet op hetgeen hem in Kroatië is overkomen. De rechtbank zal dan ook het beroep van eiser op basis hiervan beoordelen. 4.1 Eiser verzoekt allereerst om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser vindt dat verweerder zijn asielaanvraag toch in behandeling moet nemen. Eiser wilde geen asiel aanvragen in Kroatië. De politie in Kroatië heeft zijn telefoon kapot gemaakt, hem met twee volle vuisten op/in zijn gezicht geslagen en gedwongen zijn vingerafdrukken afgenomen. Dit is door verweerder niet betwist. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij hiermee geen asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië. Eiser moest het land (Kroatië) verlaten. Eiser heeft door de voornoemde behandeling in Kroatië te maken gehad met een push back en een mensonterende behandeling. De motivering van verweerder op dit punt in het bestreden besluit is onvoldoende. Verweerder heeft onvoldoende zijn mishandeling en pushback betrokken bij de beoordeling van het (al dan niet) toepassen van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser verwijst in dit kader naar jurisprudentie. De zienswijze 5. Voor zover eiser verwijst naar hetgeen is aangevoerd in de zienswijze, die volgens eiser als overgenomen en ingelast beschouwd dient te worden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.