RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.21368 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [Naam], verzoekster, V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. A. Jankie), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. Y. Rikken). Procesverloop Verweerder heeft op 17 mei 2024 aan verzoekster meegedeeld dat hij voornemens is om haar uit te zetten naar Turkije op 21 mei 2024 om 11:20 uur. Verzoekster heeft daartegen op 18 mei 2024 bij verweerder bezwaar gemaakt. Zij heeft verder op diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om haar uitzetting te voorkomen, totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van verweerder op 19 mei 2024 ontvangen. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Overwegingen
- Op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw wordt een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig voor de toepassing van Afdeling 7.2 van die wet met een beschikking gelijkgesteld. De voorgenomen uitzetting van verzoekster is als een zodanige handeling aan te merken. Daartegen staat aldus het rechtsmiddel van bezwaar open.
- Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- Verzoekster is geboren op 22 december 1979 en heeft de Syrische nationaliteit. Zij heeft op 18 mei 2024 een (herhaalde) asielaanvraag ingediend. Vanwege de behandeling van deze asielaanvraag stelt verzoekster dat zij niet kan worden uitgezet naar Turkije.
- De voorzieningenrechter ziet zichzelf, gelet op het navolgende, voor de vraag gesteld of verzoekster procesbelang heeft bij de inhoudelijke behandeling van haar verzoek om een voorlopige voorziening.
- Verweerder heeft bij het verweerschrift van 19 mei 2024 aangegeven verzoeksters (herhaalde) asielaanvraag van 18 mei 2024 in behandeling te nemen. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat hij de asielaanvraag vóór de uitzetting in behandeling zal nemen en, indien dat bij de beoordeling van de asielaanvraag nodig wordt geacht, de uitzetting op 21 mei 2024 niet zal plaatsvinden.
- Gelet op de voorgaande mededeling van verweerder stelt de voorzieningenrechter vast dat hiermee aan het verzoek van verzoekster is tegemoetgekomen, zodat het procesbelang van verzoekster bij de onderhavige procedure is komen te ontvallen. Gesteld noch gebleken is dat verzoekster een ander spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
- De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, uitgesproken op 19 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verweerder op 19 mei 2024 om 16:33 uur en aan de gemachtigde van verzoekster op 19 mei 2024 om 16:37 uur. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vreemdelingenwet 2000.