RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.20793 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2024 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G. Ocak), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: R.L.F. Zandbelt ). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel is opgelegd op 14 februari 2024 en duurt nog voort. 1.
- De staatssecretaris heeft de rechtbank op 10 mei 2024 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. 1.
- De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst bij uitspraak van 4 maart
- 1.
- De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft daar op gereageerd en een verzoek om schadevergoeding ingediend. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 maart 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (27 februari 2024) rechtmatig is. Ontbreekt het zicht op uitzetting?
- Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat hij al drie maanden in bewaring zit en er nog steeds geen uitzetting is geëffectueerd. 3.
- Deze beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onlangs geoordeeld dat ten aanzien van Algerije (weer) zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Wat eiser aanvoert is geen aanleiding voor een ander oordeel. Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting?
- Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat de staatssecretaris slechts een paar keer heeft gerappelleerd sinds de vorige uitspraak van de rechtbank en er maar een paar keer met eiser is gesproken in het kader van zijn vertrek. 4.
- Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Sinds het sluiten van het vooronderzoek op 27 februari 2024 in het eerste beroep van eiser heeft de staatssecretaris namelijk drie keer gerappelleerd, namelijk op 5 en 28 maart 2024 en op 16 april
- Daarnaast hebben er twee vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden op 19 maart 2024 en op 23 april
- Ook staat er op 30 mei 2024 een presentatie van eiser aan de Algerijnse autoriteiten gepland. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw
- ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Vergelijk ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.