RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/6089 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. C. Arslaner), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart). Inleiding
- Bij besluit van 25 januari 2021 (primair besluit) heeft het college de uitkeringen van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 7 april 2015 tot en met 2 december 2020 herzien (lees: deels herzien en deels ingetrokken) en de teveel ontvangen bijstand en inkomenstoeslagen van € 22.327,56 teruggevorderd. Bij besluit van 25 mei 2021 heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 1.
- Bij uitspraak van 23 juni 2023 heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 25 mei 2021 gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 2021 vernietigd voor zover het ziet op de herziening van de bijstand over de periode van 7 april 2015 tot 24 april 2019 en de terugvordering in zijn geheel, en verder het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit voor zover het betreft de herziening over de periode van 7 april 2015 tot 24 april 2019 en voor zover het betreft de terugvordering. 1.
- Het college heeft in navolging van de uitspraak van 23 juni 2023 het besluit van 14 augustus 2023 (bestreden besluit) genomen. Daarbij heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het totale terugvorderingsbedrag (inclusief brutering) bepaald op € 24.713,
- 1.
- Tegen het besluit van 14 augustus 2023 is eiser in beroep gegaan. 1.
- Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen. Namens het college zijn verschenen de gemachtigde van het college en [naam] . Beoordeling door de rechtbank
- In het bestreden besluit staat op pagina 3 het volgende: “(…) Overwegingen In de uitspraak van de Rechtbank s Gravenhage van 27 juni 2023 zaaknummer SGR 21/4506 PW V96 wordt als volgt overwogen. Tijdens de zitting vond een schikking plaats. Hierdoor zijn partijen het eens geworden dat de terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 7 april 2015 tot 24 april 2019 beperkt moet worden tot een bedrag van € 1.
- Doordat stortingen herleidbaar waren. De vordering over deze periode bedroeg € 1.782,
- Dit betekent dat de vordering wordt verlaagd met € 762,
- Verder bedraagt de netto vordering in de periode 24 april 2019 tot en met 2 december 2020 € 19.825,
- Omdat in deze vordering ook nog een stukje april zit a € 38,07 wordt dit bedrag op dit deel van de vordering in mindering gebracht. Hiervan blijft dan over € 19.786,
- In totaal bedraagt de netto terugvordering Netto terugvordering 01 april 2015 t/m 31 maart 2019 Fraude € 1.020 Netto terugvordering 01 april 2019 t/m 31 dec 2020 Fraude € 19.786,99 Netto terugvordering 01 juli 2019 t/m 31 juli 2019 Fraude € 360 Netto terugvordering 01 juli 2020 t/m 31 juli 2020 Fraude € 360 Totaal € 21.526,99 (…)”
- Ter zitting is duidelijk geworden dat de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet meer in geschil is. In geschil is uitsluitend de grond van eiser dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de terugvorderingsperiode heeft verlengd met de periode van 3 december 2020 tot en met 31 december
- Deze grond slaagt niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen. 3.
- Aan eiser is geen algemene bijstand uitbetaald na 2 december
- De bijstand is ingetrokken over de periode tot en met 2 december
- Dat staat vast. Zoals de gemachtigde van het college ter zitting heeft toegelicht is in de tabel sprake van een kennelijke verschrijving. Dat blijkt ook uit de motivering die aan de tabel vooraf gaat. De terugvorderingsperiode is niet verlengd en loopt tot en met 2 december
- Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juni
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.