← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:8931

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 23/975 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2024 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft met dagtekening 9 september 2021 aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) (de aanslag) opgelegd. Tegelijkertijd heeft verweerder bij beschikking € 346 belastingrente (de rentebeschikking) in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2022 het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart

  1. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en [naam 1] . Namens verweerder heeft (per videoverbinding) deelgenomen [naam 2] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 13 december 2023 aan partijen is toegezonden. Naar aanleiding van het door eiser ter zitting ingediende verzoek tot wraking van mr. D.M. Drok heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Dit verzoek is bij beschikking van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank van 28 december 2023 afgewezen. Eiser heeft op 18 januari 2024 en 8 april 2024 nadere stukken ingediend. De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 april
  2. Eiser is verschenen. Namens verweerder heeft (per videoverbinding) deelgenomen [naam 2] . Overwegingen Feiten
  3. Op 5 juli 2015 is door het Openbaar Ministerie voor een bedrag van € 2.543.926,78 beslag gelegd op bezittingen van eiser.
  4. Eiser heeft voor het jaar 2018 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.558 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.
  5. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.657 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75.
  6. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt €
  7. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is de grondslag sparen en beleggen die aan eiser wordt toegerekend bepaald op € 738.
  8. Daarbij is de beslaglegging op vermogensbestanddelen niet als schuld in aanmerking genomen. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd tot € 30.
  9. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. Geschil
  10. In geschil is of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar een juist bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de beslaglegging op vermogensbestanddelen terecht niet als schuld in aanmerking is genomen. Daarnaast is meer in het bijzonder in geschil of verweerder de hoorplicht heeft geschonden en alle op de zaak betrokken stukken heeft overgelegd. Beoordeling van het geschil Hoorrecht bezwaarfase
  11. Eiser heeft in zijn brief met dagtekening 27 oktober 2021 met aanvullende gronden van zijn bezwaar verzocht om te worden gehoord. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar aangegeven dat eiser niet heeft gereageerd op zijn e-mail van 22 april 2022 waarin twee mogelijke data met tijd zijn voorgesteld voor het houden van een hoorgesprek. Deze enkele mededeling in de uitspraak op bezwaar is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verweerder voldoende inspanningen heeft verricht om een hoorzitting met eiser te laten plaatsvinden of dat hieruit kan worden afgeleid dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord. Dit betekent dat de hoorplicht naar het oordeel van de rechtbank is geschonden.
  12. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en beoordelen of de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak in stand kunnen blijven. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan het verzoek van eiser om terugwijzing van de zaak om alsnog te kunnen worden gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat 1) eiser heeft verzocht om een terugwijzing onder specifieke voorwaarden, te weten verwijzing naar een bezwaarbehandelaar (buiten de regio Rotterdam); 2) op de zeer gecompliceerde en ontwrichte onderlinge verhouding tussen eiser en verweerder en 3) het feit dat eiser zowel in zijn (aanvullende) beroepschrift(en) als tijdens de inhoudelijke behandelingen zijn standpunten heeft kunnen verdedigen. De rechtbank zal verweerder wel opdragen het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden. Inzagerecht en op de zaak betrekking hebbende stukken
  13. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Verweerder heeft gesteld dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiser heeft gesteld dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Voor de blote stelling van eiser dat de reden van het achterhouden van de stukken is dat hieraan bij verweerder, volgens eiser, een zeer ernstige vorm van (institutioneel) racisme richting eiser en de moeder van zijn vier minderjarige kinderen ten grondslag ligt, is niet onderbouwd en de rechtbank heeft hiervoor ook geen aanknopingspunten kunnen vinden. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan deze stelling. Eiser heeft zijn stelling dat verweerder betrokken is geweest bij de opheffing van de Limited eveneens niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat hier geen stukken van zijn. Hetzelfde geldt voor stukken over de door eiser vermeende samenspanning tussen verweerder en het OM. Daarbij heeft eiser onvoldoende onderbouwd hoe documentatie van een AAFD melding aan de FIOD, de strafrechtelijke aangifte van de Belastingdienst tegen eiser en strategische informatie omtrent de strafrechtelijke en fiscale behandeling van deze zaak, voor zover dergelijke stukken er al zijn, relevant kunnen zijn voor de boordeling van de (nog voorliggende) geschilpunten. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Ook met betrekking tot de volgens eiser op 22 juli 2015 door mevrouw D. Thongthanom aan de politie verstrekte stukken is niet duidelijk geworden in hoeverre deze stukken relevant zijn voor de beoordeling van de onderliggende geschilpunten. Deze stukken zijn dan ook eveneens geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Met betrekking tot de inkomstenbelastingaangifte van de heer M.S. Baggoe over het jaar 2018, merkt de rechtbank op dat ook dit, om dezelfde reden, geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, overigens heeft eiser ter zitting van 11 april 2024 zelf een afschrift hiervan verstrekt. Verzoek horen getuigen
  14. Eiser heeft de rechtbank meermalen verzocht om [naam 3] (ambtenaar 1) en [naam 2] (ambtenaar 2) als getuigen te horen. Eiser heeft toegelicht dat hij ambtenaar 1 wil horen omdat hij zou kunnen verklaren dat de onroerende zaken eigendom waren van de Limited en na de opheffing van de Limited aan “the Crown” toekwamen. De rechtbank leidt daaruit af dat het verzoek geen betrekking heeft op feiten die in geschil zijn en dat de over die feiten af te leggen verklaringen dus ook niet tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Dat ambtenaar 1 deskundige is op het gebied van Limiteds en zou kunnen verklaren over de gang van zaken rondom de opheffing van de Limited en het al dan niet verstuurd zijn van brieven en wat er met de inhoud van die brieven is bedoeld, zijn geen verklaringen over feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Eiser heeft toegelicht dat hij ambtenaar 2 onder ede wil horen over de strafrechtelijke aangifte van fraude en misleiding tegen eiser, en over de strategische samenwerking tussen de Belastingdienst en het OM. Meer in het bijzonder wil eiser ambtenaar 2 onder ede horen over het volgens eiser omzeilen van het una-via beginsel, cautie, proportionaliteit, subsidiariteit, het recht op een eerlijk proces en de schijn van een fishing expedition naar de UBO van de Limited. Ook ten aanzien van ambtenaar 2 stelt de rechtbank vast dat het verzoek geen betrekking heeft op de feiten die in geschil zijn en nu er geen boete is opgelegd, kan een af te leggen verklaring niet tot een beslissing in de zaak leiden. Gelet hierop acht de rechtbank het niet zinvol om ambtenaar 1 en 2 op te roepen als getuige en wijst de rechtbank het verzoek tot het oproepen van deze personen als getuige af. Box 3
  15. De Hoge Raad heeft in het kerstarrest voor de jaren 2017 en 2018 geoordeeld dat de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP in combinatie met artikel 14 EVRM, indien de heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een adequate rechtsbescherming een op rechtsherstel gerichte compensatie vergt, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. De Hoge Raad voorziet in het door hem berechte geval in rechtsherstel door te bepalen dat voor die jaren alleen het werkelijk behaalde rendement in de heffing wordt betrokken.
  16. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:718, BNB 2022/103, dient de rechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan bij de behandeling van het beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel te betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit inzake vermindering. Dit betekent dat in de onderhavige zaak rekening moet houden met het kerstarrest.
  17. Uit zowel het kerstarrest (rechtsoverweging 3.3.3) als het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:718, BNB 2022/103) en de conclusie van A-G Niessen bij dat laatste arrest (ECLI:NL:PHR:2022:180, onder 5.20) leidt de rechtbank af dat de op rechtsherstel gerichte compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement en dat niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst. De bewijslast daarvan rust in beginsel op de belastingplichtige.
  18. Verweerder heeft het standpunt ingenomen, onder verwijzing naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam waarbij eiser is veroordeeld voor witwassen, dat eiser de volgende vermogensbestanddelen in zijn aangifte had moeten opnemen: Waarde onroerende zaken [adres 1] : € 618.000 Hypothecaire vordering [naam 4] ( [adres 2] ): € 637.389 Hypothecaire vorderingen [bedrijfsnaam] Ltd ( [adres 3] en [adres 4] ) (€ 160.609 + € 94.933=): € 255.542 En dat - zo volgt althans uit de uitspraak op bezwaar - 50% van deze vermogensbestanddelen aan eiser toegerekend kan worden. Op grond waarvan de grondslag sparen en beleggen moet worden vastgesteld op € 30.
  19. Verweerder heeft verder gesteld, eveneens onder verwijzing naar het strafvonnis van de Rechtbank Rotterdam, dat eiser over de volgende huurinkomsten en rente heeft beschikt: [adres 5] , [plaats 3] : € 14.365

(2008); [adres 1] [plaats 4] : € 16.000
(2008), € 85.333
(2009)en € 96.000
(2010); [adres 2] [plaats 1] : € 31.869
(2008); [adres 3] [plaats 2] € 8.030
(2008); [adres 4] : € 4.746
(2008). Welke huurinkomsten volgens verweerder in de loop der jaren alleen maar zijn toegenomen en daarmee in 2018 meer bedroegen dan € 30.
  1. Eiser heeft daarentegen gesteld dat het werkelijk rendement nihil is, aangezien hij niet over vermogen beschikte, omdat er door het Openbaar Ministerie (conservatoir) beslag van € 2.543.927 is gelegd tot verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel en hij geen rente heeft ontvangen over de afgeloste en desnoods kwijtgescholden hypotheken.
  2. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat de door verweerder gestelde vermogensbestanddelen door eiser op zichzelf niet worden betwist, maar dat volgens eiser verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gelegde beslagen. De stelling van eiser dat bij de vaststelling van het box 3-inkomen rekening moet worden gehouden met de (conservatoire) beslagleggingen van het Openbaar Ministerie, faalt. Indien op een zaak beslag is gelegd tot verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel, beïnvloedt dit de waarde in het economisch verkeer van die zaak niet. Evenmin kan het beslag in aanmerking worden genomen als een schuld. De verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland kan eiser niet baten omdat in die procedure in cassatie is geoordeeld dat een vermogenssanctie of een maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas in aanmerking kan worden genomen als een schuld in de zin van artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 nadat die sanctie of maatregel voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. Niet gebleken is dat daar op 1 januari 2018 sprake van was. Overigens is door eiser niets onderbouwd aangevoerd en is de rechtbank dit ook niet gebleken, dat de gelegde beslagen in weg stonden aan het ontvangen van de huur- en rente-inkomsten door eiser.
  3. Eiser heeft ook geen bewijsstukken ingebracht, waaruit blijkt dat hij in 2018 geen rente- en/of huurinkomsten heeft ontvangen, waarmee hij zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een werkelijk rendement van nihil heeft genoten.
  4. Wat eiser voor het overige nog naar voren heeft gebracht brengt hierin geen verandering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten onrechte of op onjuiste wijze (geen) rekening heeft gehouden met de leegwaarderatio bij de bepaling van de waarde van de [adres 1] en [adres 5] . Verweerder kon uitgegaan van de WOZ-waarde van de [adres 1] per 1 januari 2018, welke onherroepelijk vaststaat, nu daartegen door eiser geen bezwaar is gemaakt. De waarde van de [adres 5] is in onderhavige procedure geen geschilpunt, nu verweerder de waarde niet heeft gebruikt voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Zelfs indien, zoals eiser stelt, verweerder ten onrechte [adres 6] niet heeft opgenomen in de opstelling ter zake [bedrijfsnaam] , dan nog ziet de rechtbank niet in hoe dit eiser in een betere fiscale positie kan brengen. De stellingen van eiser dat de Belastingdienst een vordering op hem heeft van € 515.474.-, dat eiser niet (meer) de eigenaar is van het vastgoed en niet (meer) de UBO van Limiteds is door eiser niet onderbouwd met bewijsstukken, waardoor de rechtbank hieraan voorbij gaat. De rechtbank heeft dan ook geen reden om het voordeel uit sparen en beleggen lager vast te stellen dan € 30.
  5. Het vorenstaande neemt niet weg dat de rechter de aanslag nog wel moet verminderen indien sprake is van een individuele en buitensporige last. Van een individuele en buitensporige last is sprake, indien en voor zover deze last zich in het geval van de betrokken belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Eiser heeft hierover geen afzonderlijke gemotiveerde gronden aangevoerd en ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een buitensporige last. De rechtbank ziet aldus geen aanleiding om de aanslag te verminderen. De rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar laat de rechtbank dan ook in stand. Motiveringsbeginsel
  6. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar naar behoren gemotiveerd. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn opvatting dat verweerder bij het doen van de uitspraak op bezwaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Dat eiser het met de onderbouwing van verweerder niet eens is, maakt niet dat van een deugdelijke motivering geen sprake is. Voorts is de rechtbank niet van strijd met enig ander rechtsbeginsel gebleken. Overige
  7. Al hetgeen overigens is gesteld en aangevoerd door eiser leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Zo is de rechtbank niet gebleken dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen en opleggen van de aanslag zich schuldig heeft gemaakt aan institutioneel racisme of het uiten van (onterecht) beschuldigingen van mensenhandel door eiser of de moeder van zijn vier kinderen. Ook overigens zijn naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de heffingsambtenaar geacht kan worden in strijd te hebben gehandeld met Nederlandse en – zo al toepasselijk – Europese wet- en regelgeving. Rentebeschikking
  8. Eiser heeft tegen de in rekening gebrachte belastingrente geen gronden ingebracht. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Nu de beroepsgronden tegen de onderhavige aanslag geen doel treffen, blijft de rentebeschikking in stand. Verzoek schadevergoeding van € 25.000
  9. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding van € 25.000 vanwege de wijze waarop de gehele procedure is verlopen en de manier waarop hij door verweerder is behandeld. Op grond van artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is titel 8.4 van de Awb niet van toepassing op besluiten van de Belastingdienst inzake de inkomstenbelasting. Voor dergelijke besluiten blijft artikel 8:73 van de Awb van toepassing. Voorwaarde voor toekenning van schadevergoeding is dat de schade aannemelijk wordt gemaakt en dat deze in zodanig verband staat met het vernietigde besluit dat zij als gevolg van dat besluit aan verweerder kan worden toegerekend. De rechtbank verklaart het beroep weliswaar gegrond (vanwege de schending van het hoorrecht), maar laat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand, zie r.o.
  10. Ook zal de rechtbank opdracht geven aan verweerder om de griffierechten aan eiser terug te betalen. Eiser heeft verder onvoldoende geconcretiseerd wat voor schade hij heeft geleden en welk bedrag daarmee gemoeid zou zijn. De rechtbank wijst het verzoek om een materiële schadevergoeding daarom af. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade
  11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade ontstaan door termijnoverschrijding. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april
  12. De immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, is gelegen is in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht. Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase. Het bezwaarschrift is ontvangen op 15 september
  13. Verweerder heeft met dagtekening 24 december 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. Nu op 6 juni 2024 door de rechtbank uitspraak is gedaan, is vanaf het indienen van het bezwaarschrift een periode van 2 jaar en (afgerond) 9 maanden verstreken, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsfase met 9 maanden. Aan eiser komt daarom een schadevergoeding toe van € 1.000 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar). De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend. Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.000 te vergoeden. Proceskosten
  14. De rechtbank ziet vanwege het gegronde beroep aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 1.025 (1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 875, een wegingsfactor 1) en € 150 aan verletkosten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding voor kosten voor de bezwaarfase, het beroepschrift en een tweede zitting, omdat uit de gedingstukken volgt dat eiser in de bezwaarfase zelf heeft geprocedeerd, zelf de gedingstukken heeft opgesteld en bij de tweede zitting alleen is verschenen. Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding, omdat geen overige kosten die krachtens het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen zijn gebleken. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd evenmin aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van een integrale proceskostenvergoeding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen in stand; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.025; - draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni
  15. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). vgl. Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:HR:2009:BI
  16. Onder meer: ECLI:NL:GHDHA:2024:336 en ECLI:NL:GHDHA:2024:
  17. Rechtbank Rotterdam, 22 mei 2019, nr. 10/750154-15 Rechtbank Rotterdam, 22 mei 2019, nr. 10/750154-
  18. ECLI:NL:HR:2008:BG
  19. ECLI:NL:HR:2022:
  20. ECLI:NL:HR:2010:BK
  21. ECLI:NL:HR:2005:AO
  22. ECLI:NL:HR:2022:1128.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.