Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2024:8983
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 21/4286, 21/4287 en 21/4288 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaken tussen [eiser 1] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [eiser 2], [eiser 3] , [eiser 4] , allen uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. M.A. Spek), en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: J.Y. van den Berg).
Inleiding In de besluiten van 21 januari 2021 (de primaire besluiten) heeft verweerder bepaald dat eisers geen recht hebben op een wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.
In de besluiten van 10 juni 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 augustus 2022 gevoegd op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen eisers, vergezeld door hun broer en oom, en bijgestaan door hun gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de gemachtigde van eisers in de gelegenheid te stellen om stukken bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op te vragen waaruit blijkt dat de IND ervan is uitgegaan dat de vader van eisers is overleden.
Naar aanleiding van aanvullende informatie van de IND heeft verweerder in de besluiten van 11 januari 2023 (de gewijzigde besluiten) de bestreden besluiten vervangen en bepaald dat eisers per 1 april 2020 recht hebben op een wezenuitkering.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij een nadere zitting wensen. Zij hebben daarop niet gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen 1. Verweerder heeft gedurende de beroepsprocedure gewijzigde beslissingen op bezwaar genomen. Nu de bestreden besluiten zijn vervangen door de gewijzigde besluiten en niet is gebleken dat eisers nog belang hebben bij inhoudelijke beoordeling van die eerste besluiten, zal de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk verklaren.
Niet is bijvoorbeeld gebleken van een noodlottig ongeval waarbij de vader van eisers betrokken was en waarvan een ieder kennis heeft kunnen nemen. Noch is het overlijden van de vader gemeld bij officiële instanties. Ter zitting is voorts besproken dat een procedure tot vaststelling van vermoedelijk overlijden, die op grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2010:BM7377) voor de aanspraak op een wezenuitkering in ieder geval gevolgd moet worden in gevallen waarin geen sprake is van concrete omstandigheden die het overlijden aannemelijk maken, niet voor eisers openstaat op grond van de daaraan in artikel 1:426 Burgerlijk Wetboek gestelde eisen. Voor eisers moet daarom redelijkerwijs reeds met de bestreden besluiten duidelijk zijn geweest dat zij geen aanspraak op een wezenuitkering hadden.
Gelet op de schrijnende situatie die voor eisers is ontstaan nu zij het overlijden van hun vader niet kunnen aantonen, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangeboden – naast het laten rusten van de niet verschoonbare termijnoverschrijding door de gemachtigde van eisers – eisers tegemoet te zullen komen als zou blijken dat de IND met enkel de verklaringen van eisers omtrent het overlijden van hun vader genoegen heeft genomen. Naar aanleiding van door de IND verstrekte informatie dat dat – kort gezegd – het geval is, heeft verweerder de gewijzigde besluiten genomen en eisers coulancehalve alsnog wezenuitkeringen verstrekt.
Conclusie en proceskosten 7. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.