RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/749 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2024 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers en het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder (gemachtigde: M. Hamstra). Procesverloop Aan eisers is bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) verstrekt, in de vorm van een lening. In de brief van 9 november 2021 heeft verweerder eisers informatie verstrekt over onder meer de hoogte van het verstrekte bedrijfskrediet, de terugvordering van die lening en de aflossingstermijnen. In het besluit van 20 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de brief van 9 november 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eisers hebben ook verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank heeft het beroep van eisers op 12 juni 2024 op zitting behandeld. Eisers zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.499,- aan proceskosten aan eisers; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eisers moet vergoeden. Overwegingen 1.1 Op 9 november 2021 heeft verweerder eisers onder meer schriftelijk bericht dat de hoogte van het verstrekte bedrijfskrediet € 798,- bedraagt en dat eisers per 1 januari 2022 maandelijks € 14,44 op die lening moeten gaan aflossen. 1.2 Verweerder heeft eisers bezwaar tegen de brief van 9 november 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de brief van 9 november 2021 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet op rechtsgevolg is gericht. Hij brengt volgens verweerder geen wijziging in de rechten en plichten van eisers. 2.1 De rechtbank is met eisers van mening dat de brief van 9 november 2021 wel besluitelementen bevat en dan ook als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. In ieder geval is in de brief van 9 november 2021 voor het eerst het totale bedrag aan verstrekt bedrijfskapitaal van € 798,- vermeld. Ook is in brief van 9 november 2021 voor het eerst de hoogte van het maandelijks op het bedrijfskapitaal af te lossen bedrag vermeld. 2.2 Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar gericht tegen het besluit van 9 november 2021 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat in zoverre het beroep terecht is ingesteld, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.