Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2024:9465
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.19106 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. G.T. Cambier en mr. K. Bruin).
Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. G.T. Cambier. Ter zitting heeft eiser een verzoek tot wraking ingediend en is het onderzoek ter zitting als gevolg daarvan onmiddellijk geschorst.
Bij beslissing van 4 juni 2024 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2024 op zitting verder behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. K. Bruin. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Somalische nationaliteit te hebben.
Valideren van de maatregel 2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank van 5 mei 2024 aan verweerder om een digitaal afschrift van de maatregel per e-mail aan de rechtbank toe te zenden. Derhalve kan de handtekening van de maatregel van bewaring niet gevalideerd worden en om die reden is de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig en dient het beroep gegrond te worden verklaard.
De maatregel van bewaring 4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De M113 6. Verweerder heeft zich ter zitting van 8 mei 2024 op het standpunt gesteld dat de bewaring is opgeheven, hoewel de schriftelijke kennisgeving (M113) hiervan in het dossier ontbrak. Verweerder heeft op dinsdag 7 mei 2024 om 15:38 uur per e-mail een bevestiging ontvangen van een medewerker van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) waarin staat dat de uitzetting van eiser heeft plaatsgevonden. Volgens verweerder is de M113 enkel de bevestiging van de opheffing.
Verweerder heeft na de zitting van 5 juni 2024 – zonder verzoek van de rechtbank daartoe – en dus na het sluiten van het onderzoek ter zitting op 5 juni 2024, ook de M113 toegevoegd aan het digitale dossier. Hiervan heeft de rechtbank geen kennis genomen en dit document zal dan ook niet worden meegenomen in de beoordeling.
Ambtshalve toets 11. De rechtbank overweegt verder dat zij ook ambtshalve oordelend, geen onregelmatigheden heeft vastgesteld bij de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring die leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Conclusie 12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBZWB:2024:3649.
Algemene wet bestuursrecht.
A5/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en A5/6.14 van de Vc.