RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.2262 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F. Boone), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft op 20 januari 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 1 december
- Bij besluit van 16 februari 2024 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster ingewilligd. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
- Verzoekster heeft haar asielaanvraag ingediend op 1 december
- De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van verzoekster op 31 mei 2023 eindigen. Verweerder heeft met de inwerkingtreding van het WBV 2022/22 echter de beslistermijn verlengd met negen maanden. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2022/22 sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Het beroep van verzoekster op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 6 januari 2023 en de in het daaropvolgende hoger beroep gestelde prejudiciële vragen van de Afdeling op 8 november 2023 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2024, waarin de Afdeling het volgende overweegt: “Op gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de staatssecretaris met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De staatssecretaris heeft binnen een termijn van vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit genomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de staatssecretaris in de proceskosten te veroordelen.”
- Gelet op het voorgaande is de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig. Dat betekent dat op het moment van de ingebrekestelling de beslistermijn nog niet was verstreken, waardoor de ingebrekestelling van 14 november 2023 te vroeg is ingediend. Het beroep zou daarom niet-ontvankelijk zijn verklaard als verzoekster het beroep niet had ingetrokken.
- Het verzoek om een veroordeling van verweerder in de proceskosten wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. ECLI:NL:RBDHA:2023:3697, ECLI:NL:RBDHA:2023:3698 en ECLI:NL:RBDHA:2023:
- Vreemdelingenwet
- ECLI:NL:RBDHA:2023:
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2023:
- ECLI:NL:RVS:2024:
- Omdat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.