Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/664555 / KG ZA 24-336 Vonnis in kort geding van 29 mei 2024 in de zaak van [eiseres] te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend, tegen: DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST (mede kantoorhoudende) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Ontvanger’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 18 april 2024, met producties 1 tot en met 31; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6; - de op 7 mei 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiseres] is bestuurder van [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 1] ’). [bedrijfsnaam 1] is op haar beurt aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 2] ’). 2.2. [bedrijfsnaam 1] heeft een belastingschuld van € 30.686,-- uit hoofde van 13 naheffingsaanslagen loonheffing over tijdvakken in 2020 en 2021 en één naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2020. Aan [bedrijfsnaam 1] is uitstel van betaling verleend vanwege de coronacrisis. 2.3. [bedrijfsnaam 2] huurde een aantal bedrijfspanden in Amsterdam van de heren [naam 1] en [naam 2] (hierna: ‘ [naam 1] en [naam 2] ’). [naam 1] en [naam 2] zijn bij de rechtbank Amsterdam een procedure gestart tegen [bedrijfsnaam 2] , waarin zij betaling vorderden door [bedrijfsnaam 2] van een door hen gestelde huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming. Bij vonnis van 31 januari 2023 heeft de kantonrechter te Amsterdam [bedrijfsnaam 2] veroordeeld tot betaling aan [naam 1] en [naam 2] van een bedrag van € 1.091.574,07, ter zake van huurachterstand en proceskosten. 2.4. Hangende voormelde procedure hebben [naam 1] en [naam 2] op 17 oktober 2022 ten laste van [bedrijfsnaam 2] conservatoir derdenbeslag gelegd onder [bedrijfsnaam 1] voor een bedrag van € 629.725,-- op alle vorderingen die [bedrijfsnaam 2] op [bedrijfsnaam 1] heeft en/of zal verkrijgen. [naam 1] en [naam 2] zijn vervolgens een procedure gestart tegen [bedrijfsnaam 1] , omdat [bedrijfsnaam 1] weigerde om een verklaring derdenbeslag af te geven. In die procedure vorderden zij - voor zover hier van belang -veroordeling van [bedrijfsnaam 1] tot betaling van € 629.725,--. 2.5. Bij vonnis van 23 augustus 2023 heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat [bedrijfsnaam 1] de derdenverklaring niet tijdig heeft overgelegd en is [bedrijfsnaam 1] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 629.725,--. [naam 1] en [naam 2] hebben dit vonnis op 29 augustus 2023 aan [bedrijfsnaam 1] betekend. 2.6. [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] hebben hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 31 januari 2023 en 23 augustus 2023. 2.7. Op 6 januari 2023 hebben [naam 1] en [naam 2] ten laste van [bedrijfsnaam 1] conservatoir beslag gelegd onder ING Bank N.V. (hierna: ‘ING’). Dit beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 28.839,14. 2.8. Mr. Peijnenburg, die ook [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] in rechte bijstaat, heeft op 25 juli 2023 contact opgenomen met de Ontvanger in de persoon van mevrouw [naam 3] . Tijdens dit gesprek heeft mr. Peijnenburg de Ontvanger verzocht te bewerkstelligen dat het door [naam 1] en [naam 2] beslagen saldo op de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] bij ING aan de Ontvanger zou toekomen ter voldoening van de openstaande naheffingsaanslagen van [bedrijfsnaam 1] . 2.9. De Ontvanger heeft naar aanleiding van dit verzoek het aan [bedrijfsnaam 1] verleende uitstel van betaling op 25 juli 2023 ingetrokken en op 1 augustus 2023 voor de veertien naheffingsaanslagen een dwangbevel uitgevaardigd en per post betekend. Vervolgens heeft de Ontvanger een vordering ex artikel 19 van de Invorderingswet 1990 (‘Iw’) gedaan bij ING. Op 23 augustus 2023 heeft ING haar verklaringsformulier in het kader van de vordering ex artikel 19 Iw aan de Ontvanger toegezonden. Hierin valt onder meer het volgende te lezen: [afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie] 2.10. ING heeft bij brief van 9 augustus 2023 aan de door [naam 1] en [naam 2] ingeschakelde gerechtsdeurwaarder Groot & Evers B.V. verklaard dat de Belastingdienst (Kantoor Hoorn) op 8 augustus 2023 eveneens beslag heeft gelegd op de tegoeden van [bedrijfsnaam 1] . 2.11. De Ontvanger heeft ING naar aanleiding van het door haar ingevulde verklaringsformulier bij brief van 4 september 2023 verzocht binnen 14 dagen een bedrag van € 162,09 te voldoen. 2.12. Bij e-mail van 22 september 2023 heeft de Ontvanger als volgt aan mr. Peijnenburg bericht: “Ik heb van de ING een klein bedragje ontvangen naar aanleiding van de vordering onder de bank. Ik moet deze nu gaan opheffen. Nu wil ik wel beslag laten leggen op de rekening, maar heeft dat nog zin?” en vervolgens bij e-mail van 28 september 2023 als volgt: “Ik heb van de ING een bedrag van € 82,09 ontvangen. Ik laat opnieuw beslag leggen, deze keer door de deurwaarder. Het vereenvoudigde beslag werkt blijkbaar niet voldoende.” 2.13. De Ontvanger heeft bij brief aan ING van 2 oktober 2023 de vordering ex artikel 19 Iw ingetrokken. ING heeft het beslagen saldo van € 28.919,14 diezelfde dag overgemaakt naar gerechtsdeurwaarder Groot & Evers. 2.14. Bij brief van 28 november 2023 heeft de Belastingdienst als volgt aan [bedrijfsnaam 1] verklaard: “Hierbij verklaart de Belastingdienst dat deze geen opeisbare vordering op [bedrijfsnaam 1] heeft. Voor de aanslagen is uitstel in verband met de Corona crisis verleend. Dit uitstel is nog steeds van kracht en loopt nog 50 maanden.” 2.15. Bij vonnis van 19 december 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, [bedrijfsnaam 1] op verzoek van [naam 1] en [naam 2] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. S.P.B. van Leeuwen als curator (hierna: ‘de curator’). De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen: “3.2. De rechtbank is van oordeel dat summierlijk is gebleken van het opeisbare vorderingsrecht van verzoekers. Het onbetaald laten van deze vordering rechtvaardigt de conclusie dat aan de zijde van verweerster sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Verder is de rechtbank van oordeel dat anders dan betoogd door verweerster er een tweede schuldeiser is te weten: [bedrijfsnaam 2] B.V. met een vordering uit hoofde van een rekening-courantverhouding; dit betreft nadrukkelijk niet dezelfde schuld als die verzoekers hebben uit hoofde van het vonnis van 23 augustus 2023, maar is ontstaan uit een andere rechtsverhouding. Daarmee is ook voldaan aan het tweede vereiste voor faillietverklaring, te weten dat sprake is van meer dan één schuldeiser. Gelet hierop zal verweerster in staat van faillissement worden verklaard.” 2.16. Bij brief aan de curator van 2 januari 2024 heeft de Ontvanger op grond van artikel 19 Iw een vordering in het faillissement gedaan in verband met de openstaande naheffingsaanslagen. De Ontvanger heeft deze belastingschulden van [bedrijfsnaam 1] tevens verificatie aangemeld in het faillissement. 2.17. Bij e-mail van 3 januari 2024 heeft mr. Peijnenburg onder meer als volgt aan de Ontvanger bericht: “Echter de curator heeft de vordering van de Belastingdienst in de boeken gezien. Omdat het hof ex nunc toetst, zal de ‘schuld’ bij de belastingdienst opnieuw een rol gaan spelen bij de beoordeling in hoger beroep. (…) Dit betekent dat naar mijn inschatting dinsdag toch de schuld van de belastingdienst opnieuw besproken zal worden en ook al steunt de Belastingdienst het faillissement niet, het risico is reëel dat het faillissement wordt uitgesproken op basis van de vordering van de Belastingdienst. Dit is in hoger beroep, dus eventuele latere brieven van de Belastingdienst zullen het faillissement niet ongedaan maken. Ik verzoek u daarom opnieuw met de Landsadvocaat te overleggen. Het verzoek van [bedrijfsnaam 1] tot kwijtschelding (voorwaardelijk, totdat de vorderingen van [naam 1] en [naam 2] zijn afgewezen en het door hen ontvangen geld uit het beslag retour moet naar [bedrijfsnaam 1] ) is immers nog niet beoordeeld en de Belastingdienst heeft onbetwist hier steken laten vallen. Gelet hierop verzoek ik u namens [bedrijfsnaam 1] te overleggen of het mogelijk is te bevestigen dat de Belastingdienst de vordering momenteel onderzoekt, niet kan inschatten of van [bedrijfsnaam 1] enige betaling zal worden gevorderd en dat daarom momenteel ook geen betaling van [bedrijfsnaam 1] wordt verlangd.” 2.18. De Ontvanger heeft bij e-mail van 4 januari 2024 als volgt aan mr. Peijnenburg bericht: “Ik heb overleg gehad met de Rijksadvocaat en hij is van mening dat de openstaande vordering bij de Belastingdienst geen rol speelt in deze kwestie. De brief die ik u heb gestuurd waarin ik verklaar dat er op dit moment geen opeisbare vordering is, is volgens hem afdoende. Het faillissement zou ook uitgesproken zijn als de vordering van de Belastingdienst zou zijn kwijtgescholden.” 2.19. De Ontvanger heeft bij brief van 4 januari 2024 een overzicht aan [bedrijfsnaam 1] gezonden, waaruit blijkt dat haar totale belastingschuld op die datum € 23.224,-- bedroeg. 2.20. [bedrijfsnaam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 19 december 2023. Bij arrest van 16 januari 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van 19 december 2023 bekrachtigd. Het gerechtshof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen: “2.8 Naar het oordeel van het hof is summierlijk gebleken van een vordering van [naam 2] c.s. uit hoofde van het vonnis van 23 augustus 2023, waarbij [bedrijfsnaam 1] is veroordeeld aan [naam 2] c.s. te voldoen een bedrag van € 629.675,= te vermeerderen met wettelijke rente alsmede tot betaling van de proceskosten en beslagkosten. Dat [bedrijfsnaam 1] tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld neemt niet weg dat [naam 2] c.s. uit hoofde van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis opeisbare vorderingen op [bedrijfsnaam 1] heeft. 2.9 Daarnaast is er sprake van pluraliteit van schuldeisers. Uit de door de curator als bijlage 2 bij zijn verslag overgelegde proef- en saldibalans van [bedrijfsnaam 1] van december 2023 blijkt dat [bedrijfsnaam 2] een vordering in rekening-courant heeft op [bedrijfsnaam 1] van € 23.594,05. Dit is door [bedrijfsnaam 1] ook erkend. [bedrijfsnaam 1] heeft gesteld dat zij de vordering waarvoor beslag is gelegd slechts eenmaal verschuldigd is, of aan [naam 2] c.s. zolang er beslag ligt of aan [bedrijfsnaam 2] . Het hof kan [bedrijfsnaam 1] hierin niet volgen. De vordering van [naam 2] c.s. betreft er één uit hoofde van het vonnis van 23 augustus 2023 in verband met het niet tijdig afgeven van [bedrijfsnaam 1] van een derdenverklaring. Dit is een schuld uit een andere rechtsverhouding dan de rekening-courantvordering van [bedrijfsnaam 2] . Dat, zoals [bedrijfsnaam 1] heeft gesteld, [bedrijfsnaam 2] op dit moment geen betaling verlangt van [bedrijfsnaam 1] en dat [bedrijfsnaam 1] op de vordering aan [bedrijfsnaam 2] heeft afgelost, maakt niet dat de vordering van [bedrijfsnaam 2] op [bedrijfsnaam 1] niet als steunvordering kan dienen. De vordering van [bedrijfsnaam 2] op [bedrijfsnaam 1] betreft een verifieerbare vordering. Verder blijkt uit het door de curator als bijlage 3 bij zijn verslag overgelegde overzicht van de belastingdienst van 4 januari 2024 dat de belastingdienst een openstaande vordering heeft op [bedrijfsnaam 1] van € 23.224,= betreffende omzetbelasting over het jaar 2020 en loonheffing over de jaren 2021 en 2022. De curator heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de belastingdienst een vordering in het faillissement heeft ingediend voor om en nabij hetzelfde bedrag. [bedrijfsnaam 1] heeft onder verwijzing naar de door haar overgelegde brief van de belastingdienst van 28 november 2023 (productie 7) aangevoerd dat de belastingdienst geen opeisbare vordering op haar heeft en haar heeft toegezegd niet tot invordering over te gaan. Dit neemt echter niet weg dat de belastingdienst nog een vordering op [bedrijfsnaam 1] heeft. Die vordering is, zoals [bedrijfsnaam 1] heeft erkend, immers niet kwijtgescholden. 2.10 Verder is ook in hoger beroep summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat [bedrijfsnaam 1] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. [bedrijfsnaam 1] heeft gesteld dat de vordering van [naam 2] c.s. niet wordt voldaan omdat deze wordt betwist en omdat [bedrijfsnaam 1] geen middelen heeft om deze te voldoen.” 2.21. [bedrijfsnaam 1] heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 16 januari 2024. Op dit cassatieberoep is nog niet beslist. 2.22. Bij e-mail van 17 januari 2024 heeft mr. Peijnenburg de Ontvanger aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het faillissement van [bedrijfsnaam 1] . 2.23. Bij brief van 14 maart 2024 heeft de Ontvanger als volgt aan de curator bericht: “Op 2 januari 2024 hebben wij opgaaf van de nog openstaande belastingaanslagen bij u gedaan op naam van [bedrijfsnaam 1] BV. Abusievelijk is hierin niet vermeld dat er voor deze betreffende beslagen uitstel in verband met corona liep en de aanslagen zodoende niet opeisbaar zijn. Ik verwijs u daarbij ook naar onze brief van 28 november 2023 aan failliet hierover.” 2.24. Bij e-mail van 8 april 2024 heeft mr. Schipper onder meer als volgt aan mr. Peijnenburg bericht: “Verder heb ik erkend dat de Ontvanger de verklaring van de ING Bank volgend op de vordering ex art. 19 Invorderingswet 1990 (“Iw”) ten laste van [bedrijfsnaam 1] BV onjuist heeft opgevat. In de verklaring is melding gemaakt van een bedrag van EUR 162,09 als opeisbaar saldo van de bankrekening van de vennootschap en van een bedrag van EUR 28.839,14 onder het kopje “Eerdere, niet afgehandelde beslagleggingen”. Waar de Ontvanger aanspraak op beide bedragen kon maken, heeft hij alleen betaling gevraagd van het bedrag van EUR 162,09.” 2.25. [bedrijfsnaam 1] en [eiseres] hebben op 16 april 2024 een overeenkomst gesloten met als aanhef ‘Lastgevingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:414 BW’. Hierin valt te lezen dat [bedrijfsnaam 1] de last heeft gegeven aan [eiseres] , die deze last heeft aanvaard, om op naam en voor rekening en risico van [eiseres] “– een gerechtelijke procedure tegen de Belastingdienst te starten teneinde te bewerkstelligen dat de Belastingdienst (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.