RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL24.11703 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit, v-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. S.R. Nohar), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris. Procesverloop Eiser heeft op 27 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van en verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij brief van 25 oktober 2023 is eiser toegelaten tot de nationale procedure. Eiser heeft de staatssecretaris bij brief van 1 maart 2024 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Eiser heeft vervolgens op 18 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
- In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
- In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
- Eiser heeft zijn asielaanvraag ingediend op 27 november
- Bij brief van 25 oktober 2023 is eiser met ingang van 22 oktober 2023 toegelaten tot de nationale procedure. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van eiser eindigen op 22 april
- De ingebrekestelling van 1 maart 2024 is dan ook prematuur ingediend. Daarbij acht de rechtbank het van belang op te merken dat de staatssecretaris, met inwerkingtreding van het WBV 2023/3, de beslistermijn van asielaanvragen, ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024, met negen maanden heeft verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 11 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5087) geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2023/3 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. Dit betekent dat de wettelijke beslistermijn om te beslissen op de aanvraag van eiser zal verstrijken op 22 januari
- Omdat de ingebrekestelling van 1 maart 2024 prematuur is ingediend, voldoet het beroep niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
- Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Uit de aangehaalde brief blijkt dat Italië op 21 april 2023 akkoord ging met de overname van eiser. De overdrachtstermijn eindigde derhalve op 21 oktober 2023.