Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 23-3225 (echtscheiding) FA RK 23-8086 (afwikkeling huwelijksvermogen) Zaaknummers: C/09/647063 (echtscheiding) C/09/656522 (afwikkeling huwelijksvermogen) Datum beschikking: 13 juni 2024 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 3 mei 2023 ingekomen verzoekschrift van: [de vrouw] , de vrouw, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. C.S. Ganga in Zoetermeer (voorheen: mr. R.C. Pormes in ’s-Gravenhage). Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. J.T.R.J. Bracke in ’s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van: het verzoekschrift van de vrouw; het bericht van 9 mei 2023 van de vrouw, met bijlage; het bericht van 24 mei 2023 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad); het bericht van 7 juni 2023 van de vrouw, met bijlage; het op 29 augustus 2023 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man; het op 23 oktober 2023 ingekomen verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw; het rapport van 18 december 2023 van de Raad, met kenmerk [kenmerk] ; het op 7 maart 2024 ingekomen aanvullend verweerschrift met aanvullende en gewijzigde verzoeken van de man; het bericht van 19 april 2024 van de man, met bijlagen; het op 23 april 2024 ingediende formulier verdelen en verrekenen van de man; de berichten van 25 april 2024 van de vrouw, met akte aanvullende verzoeken en met bijlagen; het bericht van 26 april 2024 van de vrouw, met bijlagen; het bericht van 30 april 2024 van de man, met akte aanvullende verzoeken en met bijlagen; het bericht van 1 mei 2024 van de man, met bijlagen; het bericht van 1 mei 2024 van de vrouw, met bijlagen; het bericht van 2 mei 2024 van de man, met aanvullend verzoek; het bericht van 3 mei 2024 van het Wilmahuis, met bijlage; het bericht van 3 mei 2024 van de vrouw, met bijlage; het bericht van 5 mei 2024 van de vrouw, met aanvullend verzoek en met bijlagen. Op 6 mei 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat; de man bijgestaan door zijn advocaat; [naam 1] namens de Raad. Door de advocaat van de vrouw en de man zijn pleitnotities overgelegd en de door de griffier gemarkeerde stukken zijn op de zitting voorgehouden. Feiten Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2014 in [plaats] , [land] . Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in ’s-Gravenhage; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in ’s-Gravenhage. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen verblijven feitelijk bij de vrouw. Volgens uittreksels uit de Basisregistratie Personen (BRP) hebben partijen de Nederlandse nationaliteit. Op het moment van de huwelijkssluiting was de man ook Burger van [land] . Deze rechtbank heeft op 16 mei 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover hier relevant, inhoudende dat: de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd; de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning; partijen zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding; de Raad is verzocht een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en advies uit te brengen. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt, zoals dat na aanvulling nu luidt en naar de rechtbank begrijpt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de echtscheiding tussen partijen uit te spreken; te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben; te bepalen dat de man de kinderen zal zien onder begeleiding van een GZ-psycholoog, zodra RondomJou daartoe de mogelijkheid biedt en dat tot die tijd de huidige begeleide omgang wordt voortgezet bij het Wilmahuis, zolang het Wilmahuis de aanwijzingen van de gezinscoach van RondomJou opvolgt; te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 376,- (aanvankelijk € 392,-) per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie zal bepalen; ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen: de woning te verdelen, conform het verzoek van de vrouw onder randnummers 11, 12 en 13 van de akte aanvullende verzoeken van 25 april 2024; de verdeling van het overige huwelijksvermogen en de voldoeningswijze te bepalen, conform het verzoek van de vrouw onder randnummers 17, 20, 21, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 30, 32, 34, 36 en 38 van de akte aanvullende verzoeken van 25 april 2024; de saldi op de bankrekeningen op naam van de kinderen buiten de verdeling te houden. De man voert – onder referte tot het uitspreken van de echtscheiding en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen – verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, zoals dat na aanvulling nu luidt en naar de rechtbank begrijpt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de echtscheiding tussen partijen uit te spreken; een zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen, waarbij de kinderen bij de man zullen zijn: om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 16.00 uur; in de tussenliggende week op woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school; de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen; te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 50,- per maand, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie zal bepalen; de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen en de wijze van verdeling te bepalen, conform het voorstel van de man onder punt 15 A. tot en met E. van het aanvullend verweerschrift van 7 maart 2024 en te bepalen dat de voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de door de man gestelde voorwaarden in het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van 28 augustus 2023, althans de verdeling te bepalen en de wijze waarop verdeeld moet worden, zoals de rechtbank in goede justitie juist acht; te bepalen dat de vrouw alle aan de bewoning van de echtelijke woning gepaard gaande kosten, waaronder de hypotheekrente, gas, water, elektriciteit en gemeentelijke en overige belastingen en heffingen voor haar rekening neemt totdat de woning op haar naam is gesteld, dan wel tot dat de woning aan een derde is verkocht en overgedragen; te bepalen dat de vrouw uiterlijk binnen tien dagen na de beschikking een uitdraai van het door haar opgebouwde pensioen moet hebben overgelegd. De vrouw voert – onder referte tot het uitspreken van de echtscheiding – verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Uit de toelichting bij het bericht van 30 april 2024 van de man volgt dat de man een akte aanvullende verzoeken en nadere producties heeft overgelegd. In de akte aanvullende verzoeken zijn de verzoeken echter niet in een petitum opgenomen, zodat de rechtbank hierop geen beslissing zal nemen. Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Brussel II ter-verordening (nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019) rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot echtscheiding. De rechtbank past op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toe. Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend, zoals op grond van artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is vereist. Toch zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding, omdat het partijen vanwege hun ernstig verstoorde onderlinge verstandhouding niet is gelukt om afspraken te maken over de kinderen. Partijen hebben hier een beslissing van de rechtbank voor nodig. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen. Hoofdverblijfplaats Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn het erover eens dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen daarom, als niet weersproken en in het belang van de kinderen, toewijzen. Zorgregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen. Inhoudelijke beoordeling In de voorlopige voorzieningenprocedure zijn partijen verwezen haar het traject Omgangsbegeleiding en is een raadsonderzoek gelast. De rechtbank heeft over het contact tussen de man en de kinderen destijds het volgende overwogen: “Wat betreft (de opbouw van) het contact tussen de man en de kinderen denkt de rechtbank aan een start van een uur begeleide omgang per week. Verder is het aan het omgangshuis om te kijken hoe de kinderen daarop reageren. De rechtbank gaat er ook van uit dat partijen en het omgangshuis veiligheidsafspraken met beide partijen zullen maken, zodat beide partijen elkaar in beginsel niet zullen treffen bij het omgangshuis.” De rechtbank heeft de Raad verzocht in het raadsonderzoek de volgende vragen te beantwoorden: Indien draagvlak voor contact met de man bestaat, welke zorgregeling met de man is dan in het belang van de kinderen? Hoe loopt de zorgregeling bij het omgangshuis? Zijn er contra-indicaties voor het vaststellen van een zorgregeling? Welke verdere hulpverlening of begeleiding is nodig voor de kinderen en/of partijen? Komen in het onderzoek verdere bevindingen naar voren die van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen en met betrekking tot partijen? De Raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek geadviseerd om de begeleide omgang op te bouwen met ondersteuning van het omgangshuis – in dit geval het Wilmahuis – naast (trauma)behandeling voor de kinderen. Het Wilmahuis moet ondersteunen in het voorbereiden van de begeleide omgang en in overleg met de betrokken behandelaren van de kinderen het inschatten welk tempo passend is voor de kinderen om te starten met de begeleide omgang. De casusregie moet worden belegd bij het Centrum voor Jeugd en Gezin, nu RondomJou. De Raad acht het gelet op het belaste verleden van belang dat er rust en veiligheid komt voor de kinderen. De Raad zal indien gewenst zes maanden na de zitting een update schrijven aan de rechtbank over de huidige stand van zaken en de geboekte vooruitgang danwel stagnatie in het contact tussen de man en de kinderen. Indien mogelijk zal de Raad dan een concreet advies geven over de zorgregeling tussen de man en de kinderen. Op 9 april 2024 en 23 april 2024 hebben de eerste twee begeleide contactmomenten tussen de man en de kinderen plaatsgevonden bij het Wilmahuis, die respectievelijk één en twee uur hebben geduurd. Zowel het Wilmahuis als de man zijn positief over het verloop van deze contactmomenten. De man wil graag dat de begeleide contactmomenten bij het Wilmahuis worden voortgezet en dat wordt toegewerkt naar de door hem verzochte zorgregeling. De vrouw is op zichzelf niet tegen (begeleid) contact tussen de man en de kinderen, maar zij stelt dat het Wilmahuis te vroeg is gestart met het begeleide omgangstraject. Het Wilmahuis had volgens de vrouw pas mogen starten, nadat de traumabehandeling van de kinderen was gestart. Ook heeft het Wilmahuis het raadsrapport niet willen lezen en verlopen de begeleide omgangsmomenten niet zo rooskleurig als uit de verslagen doet blijken, waarmee het Wilmahuis voorbij gaat aan het belang van de kinderen. De vrouw heeft mede daarom een klacht ingediend tegen het Wilmahuis. De vrouw wil dat de begeleide omgang voortaan bij RondomJou door een GZ-psycholoog wordt begeleid. Zoals op de zitting al met partijen is besproken, zal de rechtbank in het belang van de kinderen het raadsadvies volgen. Dit betekent dat de contactmomenten tussen de man en de kinderen worden begeleid door (de medewerkers van) het Wilmahuis en dat de regie bij RondomJou ligt. Net als de Raad, gaat de rechtbank er vanuit dat de medewerkers van het Wilmahuis over de juiste expertise beschikken om de kinderen – die naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn zullen starten met traumabehandeling – adequaat te begeleiden bij de contactmomenten met de man. Inmiddels is ook gewisseld van omgangsbegeleider bij het Wilmahuis. Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat aan de zorgen en klachten van de vrouw op dit punt voldoende tegemoet wordt gekomen, nu de medewerker van het Wilmahuis waarmee de vrouw een conflict had het contact tussen de man en de kinderen niet langer begeleidt. Het is vervolgens aan RondomJou om te bekijken of het in het belang van de kinderen is dat RondomJou de omgang tussen de man en de kinderen voortaan zal begeleiden. Mocht RondomJou hiertoe aanleiding zien, dan verwacht de rechtbank dat de man zich aan dat advies conformeert. Mocht RondomJou hiertoe geen aanleiding zien, dan verwacht de rechtbank dat de vrouw zich aan dat advies conformeert. In geen geval echter mag een wisseling van omgangsinstantie leiden tot een onderbreking of vermindering van de huidige begeleide contactmomenten tussen de man en de kinderen. Andere vormen van hulpverlening, zoals de traumabehandeling van de kinderen, de speltherapie voor Inayaa en Parallel Solo Ouderschap, moeten parallel aan de begeleide contactmomenten tussen de man en de kinderen worden ingezet. De rechtbank zal aldus bepalen dat de man en de kinderen voorlopig contact met elkaar zullen hebben bij het Wilmahuis, onder begeleiding van (de medewerkers van) het Wilmahuis, waarbij de aard, duur en frequentie van de omgang worden bepaald door (de medewerkers van) het Wilmahuis en waarbij de regie ligt bij (de medewerkers van) Rondom Jou. Iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal de rechtbank aanhouden tot 1 december 2024 pro forma in afwachting van de resultaten van het traject Omgangsbegeleiding bij het Wilmahuis. De rechtbank verwacht van beide advocaten dat zij zich uiterlijk veertien dagen voor de pro formadatum schriftelijk zullen uitlaten over de stand van zaken van de begeleide omgang en over de openstaande verzoeken, waarna de rechtbank over de voortgang van de procedure zal beslissen. Van de Raad verwacht de rechtbank uiterlijk veertien dagen voor de pro formadatum een update in de vorm van aanvullend raadsrapport, waarin opgenomen de huidige stand van zaken en de geboekte vooruitgang danwel stagnatie in de begeleide omgang en een concreet advies over de zorgregeling tussen de man en de kinderen. Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat beide partijen en de kinderen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van een kinderalimentatie voor de kinderen. De rechtbank past op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toe. Inhoudelijke beoordeling Ingangsdatum De rechtbank zal, conform het verzoek van de vrouw waartegen de man geen verweer heeft gevoerd, de datum van deze beschikking als ingangsdatum hanteren. Behoefte Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen € 1.038,- per maand was in 2022. Geïndexeerd naar 2024 is de behoefte van de kinderen € 1.140,- per maand. Draagkracht Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding de behoefte van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld. Draagkracht man De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man de overgelegde salarisspecificaties van januari tot en met maart 2024 als uitgangspunt nemen en rekening houden met: salaris: € 2.971,- bruto per maand; ABP AOP-premie: € 2,61 per maand; ABP OP/NP premie: € 163,22 per maand; tegemoetkoming ZVW netto: € 30,95 per maand; IKB: € 506,56 per maand. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting. Voor zover de man heeft betoogd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing op schulden, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De man heeft het bestaan van deze schulden en de aflossingen daarop niet, althans onvoldoende onderbouwd. Vanwege de ingangsdatum, zoals hiervoor is overwogen, rekent de rechtbank met periode 2024-I. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 2.777,- per maand en zijn draagkracht voor kinderalimentatie op € 472,- per maand. Draagkracht vrouw De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw de overgelegde salarisspecificaties van januari tot en met maart 2024 als uitgangspunt nemen en rekening houden met: salaris: € 4.921,54 bruto per maand; premie ABP Pensioen/NP: € 348,48 per maand; premie ABP AP: € 6,36 per maand; IKB: € 805,66 per maand. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting; de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank houdt verder rekening met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Ook houdt de rechtbank rekening met de aflossing van € 28,- per maand op de schuld bij de Belastingdienst en € 140,- per maand op de schuld de Belastingdienst, mede omdat de man het bestaan van deze schulden en de aflossingen daarop niet heeft betwist. Met betrekking tot de advocaatkosten overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft gesteld dat zij een schuld heeft bij haar werkgever, omdat haar werkgever haar advocaatkosten heeft voorgeschoten in de vorm van een lening. De hoogte van deze lening is € 15.018,30. Op dit moment zijn er nog geen concrete terugbetalingafspraken gemaakt tussen de werkgever en de vrouw, maar de vrouw acht het redelijk om rekening te houden met een aflossing van € 350,- per maand. De man betwist het bestaan van deze schuld niet, maar acht het onredelijk dat rekening wordt gehouden met een aflossing van € 350,- per maand. Omdat het bestaan van deze schuld door de man niet wordt betwist, acht de rechtbank het redelijk om hiermee rekening te houden. Voor wat betreft de hoogte van de aflossing zoekt de rechtbank aansluiting bij het bedrag aan advocaatkosten dat is opgenomen in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie 2023, te weten € 114,- per maand. Anders dan de vrouw, ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit moment af te wijken van het forfaitair woonbudget van 30% van het NBI. Dat de vrouw een woning moet gaan huren voor haar en de kinderen in de vrije sector, is op dit moment een onzekere toekomstige gebeurtenis. Vanwege de ingangsdatum, zoals hiervoor is overwogen, rekent de rechtbank met periode 2024-I. De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 4.505,- per maand en haar draagkracht voor kinderalimentatie op € 1.121,- per maand. Zorgkorting Tussen partijen is de hoogte van de zorgkorting in geschil. De rechtbank volgt in dit opzicht het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van de behoefte van de kinderen, omdat partijen onderling en jegens hun kinderen het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag zou de partij bij wie de kinderen niet het hoofdverblijf hebben in de zorg moeten kunnen voorzien. De rechtbank ziet aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 5%. De behoefte van de kinderen is € 1.140,- per maand in 2024, zodat de zorgkorting (0,05 x 1140 =) € 57,- per maand is. Draagkrachtvergelijking De rechtbank stelt de gezamenlijke forfaitaire draagkracht van partijen gelet op het voorgaande vast op (472 + 1121 =) € 1.593,- per maand. Omdat de totale draagkracht van partijen de behoefte van de kinderen van € 1.140,- per maand overstijgt, zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken. De verdeling van de kosten over beide partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het eigen aandeel van de man bedraagt: 472 / 1593 x 1140 = € 338,- het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1121 / 1593 x 1140 = € 802,- samen € 1.140,- Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van afgerond € 338,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 802,- per maand voor rekening van de vrouw. Rekening houdend met de zorgkorting van € 57,- per maand, zoals hiervoor is overwogen, moet de man aan de vrouw een kinderalimentatie voor de kinderen betalen van (338 – 57 =) € 281,- per maand. Conclusie De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van 3 juni 2024, € 281,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte afwijzen. Aanhechten berekeningen De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit. Afwikkeling huwelijksvermogen Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verzoeken tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 5 eerste lid van de Verordening huwelijksvermogensstelsels (nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016) ook rechtsmacht om te oordelen over het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen. De rechtbank gaat bij de bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Voor de bepaling welk verdrag dan wel welke verordening van toepassing is, moet worden gekeken naar de huwelijksdatum. Omdat het huwelijk tussen partijen is gesloten na 1 januari 1992 en vóór 29 januari 2019 is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (HVV 1978) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Partijen hebben geen rechtskeuze hebben uitgebracht vóór (artikel 3 HVV 1978) of tijdens (artikel 6 HVV 1978) het huwelijk. Daarom moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 HVV 1978. De rechtbank overweegt dat de man op het moment van de huwelijkssluiting Burger van [land] was en de vrouw de Nederlandse nationaliteit had. Dit betekent dat partijen op dat moment geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden. Volgens de huwelijksakte en het uittreksel uit de BRP stond de vrouw op het moment van de huwelijkssluiting in Nederland ingeschreven en de man in [land] . Volgens het uittreksel uit de BRP staat de man sinds 5 december 2014 in Nederland ingeschreven. Dit betekent dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk op het grondgebied van dezelfde staat – namelijk Nederland – hebben gevestigd. Op grond van artikel 4 eerste lid HVV 1978 is dus Nederlands recht van toepassing. Inhoudelijke beoordeling verdeling Niet gesteld en verder ook niet gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (zoals deze golden tot 1 januari 2018) bestaat tussen partijen dus een algehele gemeenschap van goederen. Het uitgangspunt is dat de ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:100 BW bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Peildatum Als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt op grond van artikel 1:99 eerste lid sub b BW de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 3 mei 2023. Voor de waardering geldt – voor zover partijen niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum. Omvang van het huwelijksvermogen Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen en schulden in de ontbonden gemeenschap vallen: de echtelijke woning in [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Obvion N.V.; de inboedelgoederen; de Kia Niro 1.6 Hybrid met kenteken [kenteken 1] en de schuld aan DutchFinance Financial Lease; e Mercedes Benz met kenteken [kenteken 2] ; de saldi op de bankrekeningen; [bankrekening 1] op naam van de vrouw; [bankrekening 2] op naam van de vrouw; [bankrekening 3] op naam van de man (betaal- en spaarrekening); [bankrekening 4] op naam van de eenmanszaak van de man (zakelijke betaal- en spaarrekening; de schulden. ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.