← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:9915

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.23322 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Jhingoer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 28 mei 2024 (bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 31 mei 2024 de maatregel van bewaring opgeheven. Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 7 juni 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 10 juni 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 19 juni 2024 het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
  2. In het terugkeerbesluit, dat tevens een inreisverbod van twee jaar omvat, heeft verweerder vermeld dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij, de vreemdeling, de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d.niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  3. Eiser voert aan dat hij in het gehoor voor inbewaringstelling heeft verklaard dat hij familie heeft in Frankrijk. Tevens heeft hij daar een asielaanvraag lopen. Indien hem een inreisverbod wordt opgelegd kan hij niet meer naar Frankrijk en kan hij zijn asielaanvraag niet complementeren. Bovendien kan hij zijn familieleden daar niet meer bezoeken.
  4. Vaststaat dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, zodat tegen hem een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd. Verweerder heeft het risico op onttrekking voldoende gemotiveerd en op grond hiervan een vertrektermijn aan eiser kunnen onthouden. Tot slot zijn verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven om van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien. De enkele omstandigheid dat eiser in de toekomst zijn familie in Frankrijk wil bezoeken, nog daargelaten dat hij dit niet nader heeft onderbouwd, maakt niet dat het inreisverbod in strijd komt met artikel 8 van het EVRM of dat anderszins sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan een inreisverbod achterwege dient te blijven. Van belang is hierbij ook dat eiser in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het bestreden besluit desgevraagd heeft verklaard dat er geen redenen en/of bijzondere omstandigheden zijn waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Voorts heeft eiser weliswaar verklaard dat hij een jaar geleden in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend, maar aangezien hij daaraan heeft toegevoegd dat hij dit heeft gedaan bij een maatschappelijk werker en niet bij de Franse autoriteiten, hoefde verweerder niet aan te nemen dat sprake is van een daadwerkelijke (formele) asielaanvraag op grond waarvan sprake zou zijn van rechtmatig verblijf in Frankrijk. Er is ook geen bevestiging van een asielaanvraag in een andere lidstaat aangetroffen of overgelegd. Ook dit is derhalve geen omstandigheid als bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vw.
  5. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.. Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  7. Vreemdelingenbesluit
  8. Beoordeling op grond van artikel 11, tweede en derde lid, van Richtlijn 2008/115/EG en artikel 66a, achtste lid, van de Vw.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.