← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:9920

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.23416 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. S. Kowsari). Procesverloop Bij besluit van 3 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is. Overwegingen

  1. Eiser is een burger van de Democratische Republiek Congo en is geboren op [geboortedatum]
  2. De gronden van de maatregel van bewaring
  3. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3c en 3i niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden onder 3c en 3i zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De geschilpunten over de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel
  5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Ter onderbouwing van dit standpunt voert eiser aan dat hij hier nog verschillende juridische procedures heeft lopen. Verder wil hij de strafzaak in de zaak waarvoor hij op 3 juni 2024 is aangehouden in Nederland bijwonen. Eiser heeft familie in Nederland en de situatie met zijn ex-partner is inmiddels weer goed.
  6. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel blijkt het risico op onttrekking. Een eventueel verblijf bij familie en/of een goede verstandhouding met zijn ex-partner bieden onvoldoende garantie dat hij daadwerkelijk naar de Democratische Republiek Congo zal terugkeren. Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor verblijf bij zijn zoontje op grond van het arrest Chavez-Vilchez is op 31 mei 2024 ongegrond verklaard. Eiser heeft niet onderbouwd dat er op dit moment procedures lopen waarvan hij de uitkomst in Nederland moet mogen afwachten. Voor wat betreft de wens van eiser om bij de strafzaak aanwezig te zijn, overweegt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de uitzetting van eiser. De rechtbank gaat daarvan uit. Op de zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris nog aangegeven dat eiser in de Democratische Republiek Congo eventueel een visum kan aanvragen om zijn strafzaak in Nederland bij te kunnen wonen. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing
  7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Conclusie
  8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 juni 2024 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.