← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:9950

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24401 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 7 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1987 en de Eritrese nationaliteit te hebben.
  2. Uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat eiser internationale bescherming geniet in Denemarken. Verder volgt uit het dossier dat de voor de terugkeer naar Denemarken noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, zodat verweerder op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw bevoegd was tot het opleggen van de maatregel.
  3. Hierbij wordt aangenomen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert. Dit rechtsvermoeden hoeft in beginsel niet aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden te worden gemotiveerd.
  4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn overdracht naar Denemarken. De Deense autoriteiten hebben op 14 juni 2024 ingestemd met de terugkeer van eiser, maar vervolgens is niet gebleken dat verweerder een vlucht heeft geboekt.
  5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser is in bewaring gesteld op 7 juni
  6. Op 11 juni 2024 heeft verweerder gepoogd een vertrekgesprek met eiser te houden. Eiser weigerde echter zijn cel te verlaten en wilde met niemand spreken. Op 12 juni 2024 heeft verweerder de Deense autoriteiten geïnformeerd over de overdracht van eiser. De Deense autoriteiten hebben op 14 juni 2024 ingestemd met eisers terugkeer naar Denemarken. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) op 17 juni 2024 het akkoord van de Deense autoriteiten heeft ontvangen. Vervolgens heeft de DT&V op 18 juni 2024 de overdracht van eiser ingepland. Eiser zal op 26 juni 2024 worden overgedragen. Gelet op deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.
  7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
  8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 21 juni 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.