← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:10075

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23832 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2025 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. F.H. Bruggink), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt). Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Overwegingen Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?

  1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiseres:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. 1.
  2. De minister heeft de lichte grond 4e laten vallen op de zitting. 1.
  3. Eiseres betwist een aantal van deze gronden. De minister heeft de zware grond 3a echter terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht aan deze grond ten grondslag legt is eiseres immers zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument Nederland ingereisd. Dat de minister aan deze grond ook andere argumenten ten grondslag heeft gelegd, die mogelijk niet van toepassing zouden zijn omdat eiseres geen asiel heeft gevraagd in Nederland, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond dus niet af. Ook de zware grond 3b is feitelijk juist, aangezien eiseres bij binnenkomst geen melding heeft gedaan van haar onrechtmatige verblijf. Of zij maar voor een korte periode in Nederland was voordat zij werd aangehouden doet daarbij niet ter zake. Voor de zware grond 3a en 3b is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. De onbestreden lichte gronden 4c en 4d zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen en eiseres ook worden tegengeworpen. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had de minister een lichter middel moeten opleggen?
  4. Eiseres voert aan dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. Eiseres verbleef namelijk in Duitsland, had daar ook een tijdelijke ‘Duldung’ en was al bereid om terug te keren naar Mongolië. Zij had in haar kamer in Duitsland ook een ticket om op 3 juni 2025 zelf vanuit Frankfurt naar Mongolië te vertrekken. 2.
  5. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stelling van eiseres dat zij een ticket had om vanuit Frankfurt naar Mongolië te vertrekken, was geen reden om een lichter middel op te leggen. Doordat eiseres, door haar eigen keuze, in Nederland werd aangetroffen lag het immers op de weg van de minister om eerst van de Duitse autoriteiten te vernemen of zij eiseres wel terug wilden nemen. De enkele stelling dat zij in Duitsland een ticket naar Mongolië had is onvoldoende reden om van de minister te verlangen dat zij eiseres de gelegenheid bood om deze beslissing in vrijheid af te wachten. Het onttrekkingsrisico volgt immers voldoende uit de gronden van bewaring. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
  6. Los van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen
  7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiseres rechtmatig is en de minister geen schadevergoeding aan eiseres hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:
  8. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.