RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/3100 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M. van Tiel), en de minister van Financiën, verweerder (gemachtigde: mr. [naam] ). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een private schuld van eiseres terug te betalen. 1.
- Met het primaire besluit van 13 september 2023 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de afgeloste private schuld van eiseres terug te betalen. Met het bestreden besluit van 7 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij die weigering gebleven. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun private geldschulden of compensatie van de afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen dan wel compenseren van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). 2.
- Eiseres heeft verzocht om terugbetaling van haar private schuld bij de Poolse bank Pekao (Pekao) . Het gaat om een schuld van € 4.800,-. De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schuld niet wordt terugbetaald, omdat deze niet voldoet aan de voorwaarden van de Wht. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hij stelt dat de schulden van eiseres niet voor compensatie in aanmerking komen, omdat de lening niet is opgeëist. Eiseres is het hier niet mee eens. Wat vindt eiseres in beroep?
- Eiseres is een lening aangegaan bij Pekao, met een totaalbedrag van 69.065,04 PLN (ongeveer € 16.177,82). In de overeenkomst van geldlening staat opgenomen dat Pekao bij een betalingsachterstand van meer dan zestig dagen een derde brief wordt gestuurd om de kredietnemer te sommeren het verschuldigde deel van de lening terug te betalen. Bij een betalingsachterstand van meer dan 80 dagen is de bank bevoegd om de geldleningsovereenkomst op te zeggen en zal een opzeggingsbrief worden verstuurd. Eiseres stelt dat na het verstrijken van 80 dagen de geldschuld in ieder geval opeisbaar was, aangezien de bank vanaf dat moment gerechtigd was de overeenkomst op te zeggen. Anders dan verweerder stelt, heeft eiseres de geldleningsovereenkomst bij de aanvraag al overgelegd. 3.
- Volgens eiseres is ten aanzien van de betaling over december 2019 sprake van een betalingsachterstand van meer dan tachtig dagen. Dit blijkt uit de betaallijst en het betaalplan van de bank. Eiseres heeft een sommatiebrief ontvangen, maar heeft een opzegging ternauwernood kunnen voorkomen. De bank was daartoe echter wel bevoegd en het geleende bedrag is ná het verstrijken van de 80 dagen in juridische zin als opeisbaar aan te merken. Eiseres heeft op 10 augustus 2022 twee betalingen gedaan om de geldlening bij Pekao af te lossen, zodat de hoofdsom lager werd en zij maandelijks minder hoeft te betalen. Hiervoor heeft ze het bedrag van de Catshuisregeling gebruikt. Eiseres doet daarnaast een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Op zitting heeft zij zich ook beroepen op de hardheidsclausule. Wat vindt verweerder?
- Volgens verweerder stelt de geldleningsovereenkomst dat Pekao bij een achterstand van meer dan 80 dagen bevoegd is om de lening schriftelijk op te zeggen. De opeisbaarheid treedt dus niet van rechtswege in, maar hiervoor is een aanvullende handeling vereist. Hiervan is verweerder niet gebleken. Er zijn geen bewijsstukken die aantonen dat de schuld binnen de referteperiode formeel opeisbaar was. Het memorandum van de Poolse advocaat heeft ook bevestigd dat de betalingen op 10 en 11 augustus 2022 (PLN 1.725,59 en PLN 22.795,13) vrijwillig zijn gedaan, zonder enige handhavingsmaatregel of opeising door de bank. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat deze betalingen verband hielden met een formeel opeisbare betalingsachterstand binnen de referteperiode. Wat zijn de regels?
- Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze: - is ontstaan na 31 december 2005 (sub a); - vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (sub b); en - niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).
- Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht verleent verweerder aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. 4.
- Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder de schuld van eiseres bij Pekao op grond van artikel 4.3 van de Wht terecht niet heeft terugbetaald, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Zoals verweerder terecht heeft vastgesteld heeft de lening een looptijd van 10 juni 2019 tot 30 juni
- In beginsel is de lening dus op die datum pas opeisbaar. Maar volgens de kredietovereenkomst kan de overeenkomst in geval van achterstallige betalingen, eerder worden opgezegd. In paragraaf 22, het negende lid, staat dat niet eerder dan op de 80e dag van verzuim een vierde brief (opzegging) zal worden verstuurd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een duidelijke passage waaruit volgt dat Pekao de overeenkomst na 80 dagen kán opzeggen. En niet, zoals eiseres meent, dat de kredietovereenkomst na 80 dagen direct, van rechtswege, opeisbaar is. Deze contractuele bepaling prevaleert boven de algemene regels uit het Burgerlijk Wetboek. Het is de rechtbank niet gebleken dat er vóór 1 juni 2021 een openstaande en opeisbare betalingsachterstand was. In haar beroep stelt eiseres dat zij herinneringen en een schriftelijke en telefonische sommatie heeft ontvangen. Zij heeft ook een betalingsoverzicht opgesteld en overgelegd waaruit volgt dat zij in december 2019 meer dan 80 dagen te laat was met haar betaling. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is voor de opeising na 80 dagen nog een handeling – een brief – van Pekao vereist en is het enkele te laat zijn van een betaling onvoldoende. De rechtbank heeft geen brieven van Pekao gezien waaruit een opeisbare achterstand blijkt. Bovendien stelt eiseres dat zij een opzegging ternauwernood heeft weten te voorkomen.
- De rechtbank overweegt dat het vereiste van de opeisbaarheid is vastgelegd in de Wht. Dit vereiste is dwingend geformuleerd en daarop zijn geen uitzonderingen geformuleerd. Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schuld niet wordt betaald, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.In de memorie van toelichting bij de Wht staat namelijk dat de regeling voor het overnemen van private schulden tot doel heeft om gedupeerden die te maken hebben met deurwaarders en schuldenproblematiek tegemoet te komen. Doordat alleen opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. De rechtbank wijst er daarbij op, zonder af te willen doen aan de gevolgen die de toeslagenaffaire voor haar heeft, dat eiseres ten aanzien van de hier in geding zijnde schuld in de relevante periode niet kampte met de incassomaatregelen waar andere ouders met private schulden wel mee kampten. Voor deze laatsten is deze regeling bedoeld. Overigens worden hun schulden dan niet helemaal overgenomen, maar alleen het opeisbare deel van de schuld. De regeling ziet dus niet op een situatie zoals die van eiseres, waarbij geen sprake is van vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden schulden. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld in haar uitspraken van 15 mei 2024, heeft de wetgever bewust gekozen voor het stellen van de eis van opeisbaarheid in de Wht.
- Op zitting heeft eiseres nog een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Zij stelt dat zij gelet op de aanmaningen en sommaties in redelijkheid wel kon vrezen voor een opeising. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden. Dat eiseres in een zodanig problematische of schrijnende situatie verkeert die de wetgever niet heeft voorzien, is de rechtbank niet gebleken.
- De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Hoeijmans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bank Polska Kasa Opieki SA, gevestigd te Warschau, Polen. Zie paragraaf 22, lid 9 van de geldleningsovereenkomst. Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 2021/2022, 36 151, nr. 3, blz. 43 en
- Dit betreft de uitspraken met nummers ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:
- Kamerstukken II 2021/2022, 36 151, nr. 3, blz. 162.