RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24431 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.J. de Vries). Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 7 april
- De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep en een vervolgberoep is beslist bij uitspraken van 15 april 2025 en van 19 mei
- De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Ook heeft de minister het verslag van het vertrekgesprek van 4 juni 2025 overgelegd. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- Uit de uitspraak van 19 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (13 mei 2025). Heeft de minister de volledige voortgangsrapportage te laat overgelegd?
- Eiser betoogt dat de minister de volledige voortgangsrapportage (M120) te laat heeft overgelegd. Eiser voert aan dat de minister eerst een onvolledige M120 heeft overgelegd. De minister heeft de volledige M120 overgelegd nadat bekend was dat de zaak op zitting zou worden behandeld. Eiser betoogt dat dit niet zorgvuldig is en dat de rechtbank om die reden consequenties moet verbinden aan het te laat overleggen van de volledige M
- 3.
- De minister heeft op de zitting erkend dat de voortgangsrapportage (M120) die op 2 juni 2025 in het dossier is geüpload onvolledig was. Naar het oordeel van de rechtbank is het voor de goede procesgang van belang dat de informatie die wordt verschaft in de M120 volledig en juist is. De eerder verschafte (onvolledige) M120 van 2 juni 2025 was voor de rechtbank aanleiding om de zaak op zitting te behandelen. Gelet op deze onzorgvuldigheid veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten die door eiser zijn gemaakt. De beroepsgrond slaagt. Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
- Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. In dit kader verwijst eiser naar de overnameovereenkomst tussen Nederland en Roemenië. Dit maakt dat een bijzondere verplichting rust op de verdragspartijen, Nederland en Roemenië. Eiser betoogt dat de minister in het geval van een overnameovereenkomst extra actie moet ondernemen. Wanneer vijf werkdagen zijn verstreken na het indienen van het overname-verzoek, moet de minister meer inspanningen verrichten dan af en toe rappelleren. Ondertussen verblijft eiser al ruim acht weken in bewaring. De gemachtigde van eiser heeft een verklaring overgelegd van de Regenbooggroep, waaruit blijkt dat zij eiser willen helpen met zijn terugkeer naar Roemenië. Eiser onderkent dat het ingewikkeld is om met de Roemeense autoriteiten in contact te komen. Dit maakt echter niet dat de minister dan kan stellen dat het probleem enkel bij de Roemeense autoriteiten ligt, maar maakt dat de minister extra inspanningen moet verrichten om een overdracht te kunnen bewerkstelligen. 4.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende relevante feiten. Op 8 april 2025 is het verzoek tot overname van eiser ingediend bij de Roemeense autoriteiten. De minister heeft gerappelleerd bij de Roemeense autoriteiten op 15 mei 2025 en op 23 mei
- Op 3 juni 2025 hebben de Roemeense autoriteiten te kennen gegeven dat de zaak wordt doorgestuurd naar de hoofdstad. Hierbij is het verder van belang dat, omdat de nationaliteit van eiser op basis van de beschikbare pasfoto niet kon worden vastgesteld, op 9 mei 2025 een andere pasfoto van eiser is verstuurd naar de Roemeense autoriteiten. De rechtbank stelt voorop dat vaststaat dat eiser niet in het bezit is van identificerende documenten. De aanvraag tot overname van eiser dateert van 8 april 2025, wat weliswaar enige tijd geleden is, maar de minister heeft in de tussentijd steeds gerappelleerd bij de Roemeense autoriteiten, op verzoek van de autoriteiten een andere pasfoto opgestuurd en met eiser vertrekgesprekken gevoerd, waarvan het laatste vertrekgesprek dateert van 3 juni
- Uit de handelingen van de minister blijkt dat de minister zijn best doet om contact te leggen en te houden met de Roemeense autoriteiten. Deze autoriteiten moeten ook enige tijd geboden worden om de nationaliteit van eiser vast te stellen en om documenten te verstrekken. De minister mag dat afwachten. De rechtbank realiseert zich dat dit niet te lang meer moet duren, des te meer omdat eiser een Unieburger is. Het betoog van eiser dat een terugkeer sneller zal gaan met behulp van de Regenbooggroep, volgt de rechtbank niet. Dit heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt. Ook het beroep van eiser op de overnameovereenkomst leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank weegt hierin mee dat dit een overeenkomst tussen staten is, waardoor eiser hier niet direct rechten aan kan ontlenen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft aangegeven doet de minister er wel alles aan om de overdracht zo spoedig mogelijk te realiseren, maar daarbij is de minister afhankelijk van de Roemeense autoriteiten. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 6.
- Als gevolg van de geconstateerde onzorgvuldigheid in rechtsoverweging 3.1 veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814,- (1 punt voor het indienen van het vervolgberoep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb Den Haag, zp Arnhem, 15 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:
- Rb Den Haag, zp Arnhem, 19 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:
- Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.