← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:10305

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24211 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Kaikai). Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is via beeldverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Overwegingen Had de minister een lichter middel op moeten leggen?

  1. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de in bewaringstelling van 26 mei 2025 verklaard terug te willen keren naar Tsjechië. 1.
  2. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de niet betwiste zware en lichte gronden volgt dat er voldoende gronden zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat hieruit het risico volgt dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser al vier keer eerder is uitgezet (voor het laatst op 6 mei 2025) en dat eiser hierna steeds weer terug komt naar Nederland. Eiser is namelijk voor het laatst op 23 mei 2025 weer aangetroffen. Bovendien heeft de minister terecht waarde gehecht aan het gehoor van eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling waaruit volgt dat hij geen documenten heeft die zijn nationaliteit en identiteit onderbouwen en dat hij geen geld heeft, zodat niet aannemelijk is dat eiser zijn vertrek naar Tsjechië zelfstandig kan organiseren. Werkt de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser en ontbreekt zicht op uitzetting?
  3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en dat het zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt. Eiser is vier keer eerder uitgezet, meest recent op 6 mei
  4. Eiser verblijft sinds 26 mei 2025 in bewaring. Het is onduidelijk waarom er nu andere voorwaarden worden gesteld aan de uitzetting van eiser, zoals het doorzenden van zijn medisch dossier naar de autoriteiten van Tsjechië. Indien eiser geen toestemming verleent om deze gegevens te delen, zal zicht op uitzetting in zijn geval ontbreken, wat moet leiden tot opheffing van de maatregel. 2.
  5. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank merkt als eerst op dat er in de periode van 26 mei 2025 tot het moment van de zitting twee vertrekhandelingen zijn verricht, namelijk het houden van een vertrekgesprek en het verzenden van een aanvraag om een laissez-passer. Dit is voldoende voortvarend. De minister heeft op de zitting – onbetwist – betoogd dat de autoriteiten van Tsjechië hebben ingezet op een medische overdracht en dat daarvoor de medische gegevens van eiser relevant zijn. Eiser heeft voor het delen daarvan geen toestemming verleend, maar dat maakt – anders dan eiser kennelijk veronderstelt – niet dat er geen overdracht kan plaatsvinden. Zoals de minister op de zitting verklaard heeft, wordt een medische overdracht wel eenvoudiger te organiseren, wanneer deze medische gegevens beschikbaar zijn, maar niet onmogelijk. Gelet op het dossier en zijn enigszins verwarde indruk op de zitting ziet de rechtbank aanwijzingen dat de minister juist zorgvuldig werkt aan de uitzetting van eiser door te onderzoeken of een medische overdracht nodig is. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
  6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen
  7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling en een schadevergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.