← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:10310

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9365 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S.J. Spanjaard) en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), verweerder (gemachtigde: mr. M. Kleijbeuker). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit dat hij een cursus over verantwoord rijgedrag moet volgen (ook wel een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer genoemd). 1.
  2. Met het besluit van 16 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer opgelegd. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.
  3. Verweerder heeft het bestreden besluit van 9 oktober 2024 herroepen met het besluit van 28 januari
  4. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  6. De politie heeft geconstateerd dat eiser op 29 juli 2024 als bestuurder van een auto met een gecorrigeerde snelheid van 143 kilometer per uur reed, op een weg waar de maximumsnelheid 80 kilometer per uur was. Omdat eiser zich hiermee volgens verweerder onverantwoord heeft gedragen in het verkeer, heeft verweerder op 16 augustus 2024 besloten dat eiser een cursus over verantwoord rijgedrag moet volgen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard. In het besluit van 28 januari 2025 heeft verweerder dit besluit herroepen. Op het moment van het nemen van het primaire besluit, woonde eiser weliswaar in Duitsland maar beschikte hij wel over een Nederlands rijbewijs. Verweerder is daarom van mening dat het bezwaar ongegrond is. Maar omdat eiser sinds 11 september 2024 een Duits rijbewijs heeft, hoeft eiser niet meer mee te werken aan de cursus. Wat vindt eiser in beroep?
  7. Hoewel eiser de cursus niet meer hoeft te volgen, heeft eiser in bezwaar en in beroep wel kosten gemaakt die verweerder volgens hem moet vergoeden. Verweerder heeft in het besluit van 28 januari 2025 ten onrechte gesteld dat het primaire besluit van 16 augustus 2024 niet foutief was, en daarom geen proceskostenvergoeding in bezwaar toegekend. Verweerder heeft bij het nemen van het primaire besluit gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder was niet bevoegd aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer op te leggen, omdat eiser sinds oktober 2022 in Duitsland woonde. Ook als verweerder wel bevoegd zou zijn, had de maatregel niet opgelegd mogen worden. Uit de melding van de politie kon niet worden afgeleid dat eiser niet zou voldoen aan de eisen die worden gesteld aan het hebben van een rijbewijs. De door de politie in het proces-verbaal vastgelegde feiten zijn onjuist. Verder is de opgelegde maatregel onredelijk gelet op de daaraan verbonden kosten en tijdsbesteding. Eiser woont in Duitsland en zal daarom vier dagen vrij moeten nemen om de cursus te kunnen volgen. Bovendien verdient eiser een laag salaris, waardoor de cursuskosten een onevenredig grote aanslag zijn op zijn netto-inkomen. Ook verzoekt eiser een proceskostenvergoeding in beroep. Alle voor verweerder redengevende argumenten voor de conclusie in het besluit van 28 januari 2025 dat hij de cursus niet hoeft te volgen, waren al voor het bestreden besluit van 9 oktober 2024 bekend. Eiser heeft in de bezwaarfase al duidelijk gemaakt aan verweerder dat hij zowel in Duitsland woont als een Duits rijbewijs heeft, en verweerder heeft dit ten onrechte niet meegenomen. Bovendien is verweerder ten onrechte niet ingegaan op zijn stelling dat de oplegging van de maatregel prematuur was, omdat de politie nog moest beslissen over het geven van een bekeuring of het overgaan tot een volledig sepot. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  8. Verweerder heeft het bestreden besluit van 9 oktober 2024 herroepen met het besluit van 28 januari
  9. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging, of vervanging van het bestreden besluit. De rechtbank heeft eiser verzocht om aan de rechtbank te laten weten of hij het eens is met het nieuwe besluit van verweerder en zo niet, om dan toe te lichten waarom hij het hier niet mee eens is. Eiser is het, zoals weergegeven in overweging 2, niet eens met het nieuwe besluit voor zover verweerder daarin heeft gesteld dat het primaire besluit van 16 augustus 2024 niet foutief was en daarom geen proceskostenvergoeding in bezwaar is toegekend. Ook heeft eiser verzocht om een proceskostenvergoeding in beroep.
  10. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit van 9 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaren, nu dat besluit vervangen is door het besluit van 28 januari 2025 en niet gesteld of gebleken is dat eiser nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank zal hierna ingaan op de beroepsgrond, gericht tegen het besluit van 28 januari 2025, dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend.
  11. Het opleggen van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid is een verplichting voor verweerder wanneer een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) wordt gedaan en het vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig. In dit geval is dat vermoeden gebaseerd op het proces-verbaal van de politie van 29 juli 2024, waarin staat dat eiser op die datum meer dan 60 kilometer per uur te hard heeft gereden. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter mag verweerder uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Ook de rechtbank mag hier vanuit gaan, tenzij tegenbewijs ertoe leidt dat hiervan moet worden afgeweken. Eiser heeft zijn stellingen dat hij niet te hard heeft gereden en dat de maximumsnelheid ter plaatse geen 80 maar 100 kilometer per uur was, niet nader onderbouwd. De rechtbank gaat daarom uit van het proces-verbaal waaruit blijkt dat eiser meer dan 60 kilometer per uur te hard heeft gereden, waardoor het vermoeden bestond dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig. Verweerder heeft de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer daarom niet ten onrechte opgelegd op 16 augustus
  12. Dat eiser op dat moment al in Duitsland woonde, maakt dit niet anders omdat eiser op dat moment in het bezit was van een Nederlands rijbewijs. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het bezwaar ongegrond heeft kunnen verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft kunnen afwijzen, omdat het besluit van 16 augustus 2024 tot oplegging van de cursus niet onrechtmatig was. Het beroep tegen het besluit van 28 januari 2025 is daarom ongegrond.
  13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder wel de proceskosten van eiser in beroep moet vergoeden. Eiser heeft er terecht op gewezen dat de feiten die verweerder ertoe hebben geleid om op 28 januari 2025 het bestreden besluit te herroepen, al aan de orde waren voorafgaand aan het bestreden besluit van 9 oktober
  14. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift al aangegeven dat hij in het bezit is van een Duits rijbewijs, en daarbij verwezen naar de kopie daarvan die hij bij het bezwaarschrift zou hebben gevoegd. Hoewel deze kopie niet was bijgevoegd, had het op de weg van verweerder gelegen om eiser erop te wijzen dat de bijlage waar hij naar verwees ontbrak. De hoorzitting was ook een uitgelezen moment geweest om bij eiser navraag te doen naar het gestelde Duitse rijbewijs, maar uit het verslag van de hoorzitting blijkt niet dat hierover gesproken is. Ook is in het bestreden besluit alleen ingegaan op eisers argument dat hij in Duitsland woonde, maar niet op het argument dat hij inmiddels een Duits rijbewijs had. Dat op het moment van het bestreden besluit van 9 oktober 2024 uit de gegevens van verweerder bleek dat eiser (ook nog) een Nederlands rijbewijs had, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook ten tijde van het besluit van 28 januari 2025 was het Nederlandse rijbewijs immers nog niet ongeldig verklaard.
  15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding, zoals eiser heeft verzocht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel forfaitair berekend. In bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Uit het dossier en uit wat eiser heeft gesteld, volgt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van het forfaitaire bedrag. Conclusie en gevolgen
  16. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 9 oktober 2024 is niet-ontvankelijk. Eiser heeft hier geen procesbelang meer bij, omdat het besluit is herroepen en vervangen door het besluit van 28 januari
  17. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 28 januari 2025 is ongegrond.
  18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, omdat de feiten die ertoe hebben geleid dat het bestreden besluit is herroepen al aanwezig waren voorafgaand aan het bestreden besluit. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,-. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 9 oktober 2024 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen het besluit van 28 januari 2025 ongegrond; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei
  19. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 131, eerste lid, onder b van de Wvw. Artikel 14, eerste lid, onder b van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
  20. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:
  21. Zie artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.