← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:10364

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/8219 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om het forfaitaire bedrag van € 30.000 aan eiser uit te betalen. 1.
  2. Met het besluit van 2 mei 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de uitkomst van de lichte toets geen reden geeft om het bedrag van € 30.000, aan hem uit te betalen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven. 1.
  3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  5. In de uitvoering van de kinderopvangtoeslag zijn in de periode 1 januari 2005 tot 23 oktober 2019 fouten gemaakt waarvan ouders de dupe zijn geworden. De toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende maatregelen om burgers te compenseren voor deze fouten. Eén van die maatregelen betreft het toekennen van een forfaitair bedrag aan compensatie van € 30.000 aan alle erkend gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire. Dit is het minimumbedrag waarop een gedupeerde van de toeslagenaffaire aanspraak heeft en wordt uitgekeerd aan ouders die in één of meerdere jaren in aanmerking komen voor compensatie of tegemoetkoming op grond van (een van) de herstelregelingen. 2.
  6. Eiser heeft zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag. Iedereen die zich aanmeldt voor een herbeoordeling krijgt eerst een zogeheten lichte toets. In dat kader wordt bekeken of iemand ten onrechte kinderopvangtoeslag moest terugbetalen dan wel of de kinderopvangtoeslag in het verleden ten onrechte is stopgezet. Deze lichte toets is bedoeld om ouders snel duidelijkheid te geven en is daarmee beperkter dan de integrale beoordeling. Bij de integrale beoordeling wordt uiteindelijk definitief beoordeeld of een ouder in aanmerking komt voor een (hogere) compensatie. Verweerder heeft in het kader van de lichte toets geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat eiser een gedupeerde is van de toeslagenaffaire, omdat hij volgens de gegevens van verweerder nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Daarom heeft verweerder vooralsnog geweigerd om het forfaitaire compensatiebedrag van € 30.000 aan eiser uit te betalen. Wat vindt eiser in beroep?
  7. Eiser voert aan dat hij jarenlang sinds de geboorte van zijn twee kinderen (1993 en 1998) kinderdagverblijf en opvang heeft gebruikt. Hij kwam niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag vanwege zijn inkomen. Maandelijks moest hij een eigen bijdrage betalen. Eiser is mede hierdoor in de wettelijke schuldsanering beland. Dit heeft impact gehad op zijn leven en gezondheid. Eiser meent dat de maatschappij en de overheid uit humaan oogpunt hier rekening mee zou moeten houden. Daarom moet het besluit worden herzien. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  8. De rechtbank stelt voorop dat de periode vóór 1 januari 2005 geen onderdeel uitmaakt van de hersteloperatie. Op grond van de Wht heeft een ouder vóór de periode van 1 januari 2005 geen recht op compensatie. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat de kinderopvang waarschijnlijk in 2005/2006 is beëindigd. Voor zover eiser betoogt dat hij voor 1 januari 2005 gebruik maakte van de kinderopvang en daarom recht heeft op compensatie, volgt de rechtbank dit niet. 4.
  9. Uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding van materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van verweerder. 4.
  10. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier van eiser geen stukken bevinden waaruit blijkt dat op enig moment een aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend. In de informatiesystemen van verweerder zijn geen gegevens terug te vinden over afgegeven voorschotbeschikkingen en opvanggegevens. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk kwalificerende opvang is genoten en dat daarom wel degelijk aanspraak op kinderopvangtoeslag bestond. Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat eiser met een daadwerkelijke correctie, stopzetting of terugvordering van de kinderopvangtoeslag geconfronteerd is geweest. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van schade als gevolg van het handelen van verweerder als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Uit het dossier kan de rechtbank geen vooringenomen handelen of hardheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht aan de zijde van verweerder opmaken. 4.
  11. Gelet op het voorgaande kan eiser niet als gedupeerde worden aangemerkt, omdat hij nooit kinderopvang heeft aangevraagd en om die reden nooit kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Omdat eiser niet als gedupeerde wordt aangemerkt heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd om het forfaitaire bedrag van € 30.000 aan eiser uit te betalen. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari
  13. griffier de rechter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.7 (ook bekend als de Catshuisregeling) van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 80.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.