RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/8086 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A. Orhan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. W. Vrooman). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot naturalisatie op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven. 1.
- Verweerder heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Tunesische nationaliteit. Hij heeft op 8 maart 2023 een verzoek tot naturalisatie gedaan. 2.
- Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat ten tijde van het besluit daarop geen sprake was van onafgebroken vijf jaar toelating in het Koninkrijk. Met het besluit van 29 juni 2021 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] ’ met terugwerkende kracht (per 21 december 2020) ingetrokken. In dit besluit is tevens eisers verzoek tot wijziging beperking naar 'Verblijf als familie- of gezinslid bij H. Zrari (eisers kind) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend. Dit bezwaarschrift is bij besluit van 6 mei 2022 gegrond verklaard. De verblijfsvergunning 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] is per 11 april 2022 aan eiser verleend. Gelet hierop is volgens verweerder sprake van een zogenaamd ‘verblijfsgat’, een periode dat eiser geen geldige verblijfsvergunning had, namelijk van 21 december 2020 tot 11 april
- Ook komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor toepassing van de verkorte termijn. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser vindt dat hij voldoet aan de voorwaarden als genoemd in de RWN, omdat geen sprake is van een verblijfsgat gedurende de periode van vijf jaren voorafgaande aan zijn verzoek. Mocht er wel sprake zijn van een verblijfsgat dan is dit niet te wijten aan het handelen van eiser, maar komt dit voor rekening van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Eiser voert hiertoe primair aan dat hij in de periode van 21 december 2020 tot 11 april 2022 formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad. In die periode heeft hij namelijk rechtsmiddelen aangewend én een aanvraag ingediend tot het wijzigen van het verblijfsdoel van de aan hem verleende verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] '. Deze periode van formeel beperkt verblijfsrecht (op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn) telt weliswaar niet mee voor de verblijfsduur van vijf jaar, maar de verblijfsduur wordt er ook niet door onderbroken. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met de bepalingen zoals genoemd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wat zijn de regels?
- Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN moet iemand die Nederlander wil worden, ten minste vijf jaar onmiddellijk en voorafgaand aan het verzoek in het Koninkrijk der Nederlanden toelating en hoofdverblijf hebben gehad. 4.
- Van ‘toelating’ in Nederland als bedoeld in de RWN is sprake als de verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De verzoeker moet dit rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aantonen. 4.
- Als de verlengde of opvolgende verblijfsvergunning niet direct aansluit op de eerder verleende verblijfsvergunning, is er sprake van een verblijfsgat. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden het verzoek van eiser om naturalisatie heeft afgewezen. Zij legt dit oordeel hierna uit. 5.
- De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiser geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het besluit van 6 mei 2022, waarbij de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is bepaald op 11 april
- 5.
- Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de RWN volgt dat onder toelaten in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet wordt verstaan dat het bevoegd gezag actief heeft ingestemd met het bestendig verblijf hier te lande en dat dit onder andere kan blijken uit de afgifte van een vergunning tot verblijf. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat van eiser kan worden verlangd dat hij aantoont dat het bevoegd gezag actief heeft ingestemd met een dergelijk bestendig verblijf, wat zal blijken uit de overlegging van een verblijfsvergunning of een ander met dat doel verstrekt verblijfsdocument. Eiser heeft geen verblijfsdocument of anderszins aangetoond dat sprake was van actieve instemming met zijn verblijf voor de periode 21 december 2020 tot 11 april
- De rechtbank is daarom met verweerder van oordeel dat eiser over de periode van 21 december 2020 tot 11 april 2022 geen rechtmatig verblijf heeft gehad. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat sprake is van een verblijfsgat. Dat het verblijfsgat is ontstaan door het handelen van de IND heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Voor zover dit anders is, had eiser dit aan kunnen voeren in een procedure tegen het besluit van 6 mei
- Nu eiser dit heeft nagelaten, dient dit voor zijn rekening en risico te blijven. 5.
- Het feit dat eiser formeel beperkt verblijfsrecht had in de genoemde periode, maakt het hiervoor gegeven oordeel niet anders. Uit de toelichting van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, paragraaf 1 en 2.
- van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (de Handleiding) blijkt eveneens dat procedureel rechtmatig verblijf niet geldt als toelating in de zin van de RWN. 5.
- Gelet op het voorgaande is de voor de RWN relevante termijn van eisers rechtmatig verblijf vanaf 11 april 2022 opnieuw ingegaan. Hij heeft op 8 maart 2023 een verzoek om naturalisatie ingediend. Dit betekent dat eiser onmiddellijk voorafgaand aan zijn verzoek om naturalisatie geen vijf jaren aaneengesloten toelating heeft gehad tot het Koninkrijk. 5.
- Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn bevoegdheid in dit geval met inachtneming van de Gezinsherenigingsrichtlijn uitgeoefend. Immers, het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn is om gezinsleven mogelijk te maken en onweersproken is dat eiser dat gezinsleven rechtmatig in Nederland kon uitoefenen. De rechten die eiser ontleent aan de Gezinsherenigingsrichtlijn worden in of door de naturalisatieprocedure niet aangetast. De afwijzing van het verzoek leidt er dan ook niet toe dat eiser zijn gezinsleven in Nederland niet meer kan uitoefenen. De naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure zijn gescheiden procedures. Vragen over toelating horen daarbij in beginsel thuis in een procedure op de voet van de Vw
- 5.
- De rechtbank wijst er ten slotte op dat artikel 10 van de RWN in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid biedt om tot naturalisatie over te gaan in afwijking van de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden. Uit de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden volgt niet dat verweerder gehouden was toepassing te geven aan deze bepaling. Van zeer schrijnende of onevenredige gevolgen voor eiser is niet gebleken. De situatie van eiser is ook niet uitzonderlijk van aard. 5.
- Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8, eerste lid, onder c, van de RWN. Als bedoeld in artikel 8, tweede, derde, vierde en vijfde lid, van de RWN. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW
- Zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN. Zie paragraaf 5 ‘Onafgebroken periode(n) van toelating/verblijfsgat’, onder de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN. Kamerstukken II, 1997/98, 25 891 (R 1609), nr. 3, p. 4 en
- De uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- Op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en l, Vw
- De uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2518.