← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:10563

proces-verbaal uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.51913 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Boesjes), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kuster). Inleiding Bij besluit van 23 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister hebben zich afgemeld voor de zitting. Eiser is niet verschenen. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  2. De rechtbank ziet zich (ambtshalve) voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
  3. Uit de bijlage bij de brief van de minister van 17 maart 2025 blijkt dat eiser volgens informatie van het COA op 12 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken.
  4. De rechtbank heeft de gemachtigde daarom op 14 april 2025 gevraagd of zij nog contact heeft met eiser. De gemachtigde van eiser heeft op 15 april 2025 aan de rechtbank laten weten dat zij sinds 19 februari 2025 niets meer van eiser heeft vernomen en derhalve niet weet waar hij zich momenteel bevindt.
  5. Gelet op deze omstandigheden en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662 en 19 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5282) neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Conclusie en gevolgen
  6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier. 01 mei 2025 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.