← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:10733

RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/685723 / JE RK 25-934 Datum uitspraak: 5 juni 2025 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. N. Harlequin te Den Haag, en [de vader] , hierna te noemen: de vader, hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders, beiden wonende in [woonplaats] . De kinderrechter merkt als informant aan: William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 mei 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 6 juni 2025 en een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in het [instelling] en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg tot 6 juni
  2. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden. 1.
  3. De kinderrechter neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 26 mei 2025 en de daarin genoemde stukken. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling het rapport van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (hierna te noemen: het LECK) van 26 mei 2025 overgelegd. Tevens heeft de advocaat van de moeder een foto van [minderjarige] van onbekende datum overgelegd. 1.
  4. Op 5 juni 2025 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - [naam 1] namens de Raad; - [naam 2] namens de gecertificeerde instelling. 2De feiten 2.
  5. [minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 2.
  6. Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 26 mei
  7. 3Het verzoek 3.
  8. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor het [instelling] en aansluitend voor een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  9. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Op 22 mei 2025 heeft de jeugdarts van het consultatiebureau een melding bij Veilig Thuis gedaan omdat een blauw oog, blauwe plekken en striemen bij [minderjarige] werden geconstateerd. Ook heeft de jeugdarts contact gezocht met het [instelling] . Zij gaven aan dat [minderjarige] met spoed naar het ziekenhuis moest voor verder onderzoek. De ouders is medegedeeld dat de procedure kindermishandeling zou gaan lopen en dat zij [minderjarige] met spoed naar het ziekenhuis moesten brengen. De ouders zouden hebben aangegeven dat zij op dat moment niet naar het ziekenhuis konden, omdat de vader moest werken en de moeder een andere afspraak in Brabant had. De jeugdarts heeft de moeder nogmaals gebeld om haar te verzoeken om naar het ziekenhuis te gaan. De vader van de moeder heeft de telefoon opgenomen en medegedeeld zij waarschijnlijk pas aan het eind van de avond in het ziekenhuis konden zijn. Veilig Thuis heeft ook contact opgenomen met de moeder met het nadrukkelijke advies om [minderjarige] zo snel mogelijk naar het ziekenhuis te brengen. De moeder heeft dit in eerste instantie geweigerd, maar is uiteindelijk om 00:00 uur die avond met [minderjarige] aangekomen in het ziekenhuis in [plaats] . De vader is later gearriveerd. Rond 02:20 zijn de ouders naar huis vertrokken en is [minderjarige] achtergebleven in het ziekenhuis. Op 23 mei 2025 is [minderjarige] zonder ouders met de ambulance overgedragen naar het [instelling] voor verder onderzoek. De ouders hebben aangeven dat zij die dag niet bereid waren om persoonlijk met Veilig Thuis in gesprek te gaan, omdat hen teveel zou worden, dit niet nodig zou zijn en zij geen tijd zouden hebben voor een gesprek. Het bovenstaande illustreert dat de ouders niet in staat lijken om prioriteiten in het belang van [minderjarige] te stellen. Zij maken keuzes die niet in zijn belang zijn. 3.
  10. De ouders geven aan dat het blauwe oog van [minderjarige] ontstaan is, doordat hij met zijn hoofd op de schouder van de moeder is gebotst. De striemen zouden veroorzaakt zijn door het inbakeren en te strakke kleding. Uit het overgelegde LECK-rapport van 26 mei 2025 blijkt echter dat er aanwijzingen zijn dat het letsel van [minderjarige] is toegebracht. Er zal ook een strafrechtelijk onderzoek gaan plaatsvinden. [minderjarige] verblijft inmiddels in een pleeggezin en hier gaat het goed met hem. De samenwerking tussen de ouders en de jeugdbescherming verloopt goed. De ouders zien [minderjarige] op dit moment twee keer per week gedurende een uur onder begeleiding van de gecertificeerde instelling. De komende tijd moet er meer duidelijkheid ontstaan over het toegebrachte letsel. Het is noodzakelijk dat een jeugdbeschermer toeziet op de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] . Ook is van belang dat de veiligheid van [minderjarige] voorop blijft staan en dat hij de komende periode in het pleeggezin kan verblijven. 4De standpunten 4.
  11. Door en namens de ouders is geen verweer gevoerd tegen het verzoek om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen, maar wel tegen het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De advocaat van de moeder heeft naar voren gebracht dat vanaf het begin sprake is geweest van een misverstand. Het was voor de ouders na het bezoek aan het consultatiebureau niet duidelijk wat er precies aan de hand was. De moeder heeft niet geweigerd om met [minderjarige] naar het ziekenhuis te komen, maar heeft geprobeerd uit te leggen dat dat op dat moment niet mogelijk was, omdat zij in Brabant waren. De peetoom en peettante waren bij dit gesprek aanwezig en kunnen bevestigen dat het gesprek op intimiderende en onbeschofte wijze heeft plaatsgevonden. De ouders betwisten dat zij niet wilden meewerken en niet in gesprek met Veilig Thuis wilden, maar stellen dat de informatieverstrekking onvoldoende helder was. De ouders hebben vanaf het begin willen meewerken, en zijn daartoe nu nog steeds bereid. Daarnaast heeft de advocaat naar voren gebracht dat de verklaring van de moeder over het letsel zoals die is opgenomen in het LECK-rapport niet klopt. De moeder stelt dat is opgenomen dat [minderjarige] met zijn hoofd tegen haar schouder is gebotst toen zij hem optilde vanuit de box in de woonkamer. Dit incident heeft echter niet plaatsgevonden in de woonkamer, maar in de slaapkamer. De moeder had [minderjarige] vast en bukte met hem in haar handen om zijn speen van de grond te pakken. Tijdens het bukken en omhoog komen zette hij zichzelf af en botste daardoor met zijn hoofd tegen haar schouder. Bovendien kunnen de striemen van [minderjarige] verklaard worden door het inbakeren. De moeder is erg betrokken en zit in een appgroep met andere moeders. Hierin heeft zij gevraagd of zij de inbakerdoek wel op een juiste wijze vastmaakte. Ook heeft zij bij het consultatiebureau gevraagd of zij dit op de juiste wijze deed. Daarnaast is in het LECK-rapport geen rekening gehouden met mogelijke allergieën. Verder betwisten de ouders dat er een strafrechtelijk onderzoek zal gaan lopen. De ouders zijn door de politie uitgenodigd voor een gesprek. De rechercheur heeft daarbij benadrukt dat de ouders niet worden aangemerkt als verdachte. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en het belang van de hechting is het noodzakelijk dat [minderjarige] zo snel mogelijk naar zijn ouders kan terugkeren. 4.
  12. De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek en de zorgen van de Raad. De gecertificeerde instelling merkt tijdens de bezoekmomenten dat de ouders [minderjarige] graag zien en veel vragen stellen over hoe het met hem gaat. Op dit moment is er geen vaste jeugdbeschermer betrokken, maar er is wel een groepsapp met de ouders en twee contactpersonen aangemaakt. De komende periode is het van belang dat de begeleide bezoeken worden voortgezet, zodat geobserveerd kan worden hoe [minderjarige] tijdens en na deze bezoeken reageert. Ook kan mogelijk een vorm van video-interactiebegeleiding worden ingezet om te onderzoeken in hoeverre de ouders leerbaar zijn. 5De beoordeling 5.
  13. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.
  14. Er bestaan op dit moment voldoende aanwijzingen dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een pasgeboren en daardoor zeer kwetsbare baby die volledig afhankelijk is van zijn verzorgers. Er zijn ernstige zorgen ontstaan over de ontwikkeling en de basale veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] bleek een blauw oog, blauwe plekken en striemen te hebben. Het LECK concludeert, op basis van literatuur en expertise, dat de combinatie van letsels/bevindingen op basis van aantal, verschillende lichaamslocaties, patroonvorming, clustervorming en petechien bij dit premobiele kind veel waarschijnlijker is onder de hypothese niet-accidentele krachtsinwerking (toegebracht) dan onder de hypothese accidentele krachtsinwerking. De combinatie van letsels/bevindingen wijst volgens het LECK in de richting van kindermishandeling. Volgens het LECK pas het letsel van [minderjarige] niet bij een eenmalige krachtsinwerking en/of te strakke kleding, zoals de ouders aangeven. De kinderrechter overweegt dat de conclusies van dit rapport voldoende onderbouwd zijn. Gelet op de ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] is het van belang dat een jeugdbeschermer betrokken raakt die de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] kan monitoren. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. 5.
  15. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. 5.
  16. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] is pas enkele maanden oud. Deze eerste maanden in het leven van [minderjarige] zijn belangrijk voor de hechting tussen hem en zijn ouders. De veiligheid van [minderjarige] dient echter voorop te staan. Gelet op de zorgen over zijn veiligheid is het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat hij voorlopig in het pleeggezin kan blijven. 5.
  17. De komende periode moet worden gebruikt om meer duidelijkheid te krijgen over de situatie van [minderjarige] , de vermoedens van kindermishandeling en de mogelijkheden van de ouders. Op dit moment is nog onduidelijk of een strafrechtelijk onderzoek naar de ouders zal worden gestart. Ook blijkt uit het rapport van het LECK dat zij een aantal adviezen voor beleid geven waarvan nu de uitkomst nog niet bekend is, zoals bijvoorbeeld de uitslag van de skeletstatus nog onbekend is. Verder geldt dat een uithuisplaatsing in principe gericht is op een thuisplaatsing. Daarom moet duidelijk worden of hulpverlening zoals een gezinsopname of intensieve begeleiding in de thuissituatie passend kan zijn om te werken aan een thuisplaatsing. Ook is van belang dat het contact van de ouders met [minderjarige] wordt gemonitord. Bij goed verloop van de contacten moet worden bezien of deze kunnen worden uitgebreid in verband met de hechting tussen [minderjarige] en zijn ouders. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] is het van belang dat de Raad en de gecertificeerde instelling voortvarend te werk gaan. De kinderrechter benadrukt daarbij dat zij verwacht dat binnen twee weken een vaste jeugdbeschermer betrokken raakt, zodat daadwerkelijk stappen kunnen worden ondernomen. De kinderrechter vindt het positief dat de samenwerking tussen de gecertificeerde instelling en de ouders tot nu toe positief verloopt en benadrukt dat het belangrijk is dat ouders en de gecertificeerde instelling open met elkaar blijven communiceren. 5.
  18. Aangezien de kinderrechter op de hoogte wil worden gehouden van de ontwikkelingen ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toe te wijzen tot 24 juli
  19. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden. De kinderrechter verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de laatste stand van zaken, ook (indien mogelijk) met betrekking tot een eventueel strafrechtelijk onderzoek en de adviezen van het LECK voor beleid . 5.
  20. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  21. stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 6 juni 2025 tot 23 augustus 2025; 6.
  22. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 juni 2025 tot 24 juli 2025; 6.
  23. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van mr. O.F. Bouwman van 22 juli 2025 om 16:00 uur tegen welke zitting dienen te worden opgeroepen; - de Raad; - de ouders; - de advocaat van de moeder, mr. N. Harlequin; - de gecertificeerde instelling. 6.
  24. verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen. 6.
  25. verklaart de beslissing onder 6.
  26. uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni
  27. Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen over de machtiging tot uithuisplaatsing staan, is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Artikel 1:257 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.