← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:10862

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/686465 KG ZA 25-532 Vonnis in kort geding van 11 juni 2025 in de zaak van 1 [eiser] te [woonplaats 1] ,

  1. [eiseres] te [woonplaats 1] , eisers, advocaat mr. D. Buisman te Amsterdam, tegen: 1 [gedaagde 1] te [woonplaats 2] , de Verenigde Staten,
  2. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] , de Verenigde Staten, gedaagden, advocaat mr. P.C.F. de Hoon te Breda. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eisers] c.s.’ en ‘ [gedaagden] c.s.’. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 juni 2025 (met producties 1 t/m 10); - de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord(met producties A t/m G); - de op 11 juni 2025 gehouden mondelinge behandeling. 1.
  4. Op 11 juni 2025 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 19 juni
  5. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.
  6. [eisers] c.s. huren sinds 14 november 2022 van [gedaagden] c.s. de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: het gehuurde). 2.
  7. [gedaagden] c.s. hebben bij aangetekende brief van 20 augustus 2024 de huurovereenkomst opgezegd per 13 november
  8. 2.
  9. Op 5 april 2024 hebben [gedaagden] c.s. [eisers] c.s. gedagvaard in een procedure bij de kantonrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 13 maart 2025 heeft de kantonrechter – voor zover thans van belang – voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen partijen op 13 oktober 2024 van rechtswege is geëindigd. Daarnaast heeft de kantonrechter [eisers] c.s. veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand vanaf 1 december 2023 tot en met februari 2025 en een gebruikersvergoeding gelijk aan de huur met ingang van 1 maart
  10. De kantonrechter heeft dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ten aanzien van de vordering tot betaling van de huurachterstand heeft de kantonrechter – kort gezegd – overwogen dat [eisers] c.s. voor wat betreft de huur vanaf 1 december 2023 geen beroep op opschorting/verrekening toekomt. Ten aanzien van de gevorderde ontruiming heeft de kantonrechter overwogen dat tussen partijen een huurovereenkomst voor bepaalde tijd tot 13 november 2024 is gesloten en dat [eisers] c.s. dientengevolge vanaf 14 november 2024 zonder recht of titel in het gehuurde verblijven. 2.
  11. Van Duijvendijk c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. Op dit hoger beroep is nog niet beslist. 2.
  12. [gedaagden] c.s. hebben het vonnis van de kantonrechter op 27 maart 2025 aan [eisers] c.s. betekend, met aanzegging van de ontruiming van het gehuurde op 17 april
  13. [eisers] c.s. zijn een executiegeschil gestart bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling in die procedure op 16 april 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin zijn partijen – voor zover thans van belang – overeengekomen dat [eisers] c.s. het gehuurde uiterlijk op 31 mei 2025 ontruimen, met de verplichting voor [eisers] c.s. om een gebruiksvergoeding voor de maand mei 2025 uiterlijk in de eerste week van die maand te voldoen. 2.
  14. [eisers] c.s. hebben de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd. Volgens hen is deze overeenkomst onder invloed van dwang en/of misbruik van omstandigheden tot stand gekomen. Ook stellen zij dat hun voormalige advocaat niet beschikte over een toereikende volmacht om de vaststellingsovereenkomst namens hen te ondertekenen. 2.
  15. Bij exploot van 4 juni 2025 hebben [gedaagden] c.s. de ontruiming van het gehuurde uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter en de vaststellingsovereenkomst aangezegd tegen 12 juni
  16. 3Het geschil 3.
  17. [eisers] c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – primair: [gedaagden] c.s. op straffe van een dwangsom te gebieden de executie van het vonnis van de kantonrechter, al dan niet gebaseerd op de vaststellingsovereenkomst, te schorsen tot de uitspraak in hoger beroep; [gedaagden] c.s. een dwangsom van € 50.000,- verbeuren wanneer [gedaagden] c.s. de executie van het vonnis van 13 maart 2025 niet schorsen dan wel geschorst houdt; [gedaagden] c.s. te veroordelen in de proces- en nakosten; en subsidiair: [gedaagden] op straffe van een dwangsom te gebieden de executie van het vonnis van de kantonrechter te schorsen en geschorst te houden dan wel op te heffen; [gedaagden] c.s. te veroordelen in de proces- en nakosten. 3.
  18. Daartoe voeren [eisers] c.s. – samengevat – het volgende aan. [eisers] c.s. stellen dat zij de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk hebben vernietigd althans dat aannemelijk is dat deze overeenkomst door de rechter zal worden vernietigd, omdat deze onder misbruik van omstandigheden is gesloten. Daarnaast hebben zich volgens [eisers] c.s. na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nieuwe feiten en omstandigheden voorgedaan, die schorsing van de ontruiming rechtvaardigen. Daarbij wijzen zij erop dat de ouders van [eiseres] bij hen inwonen en dat beiden een zeer kwetsbare gezond hebben en dat hun gezondheid na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is verslechterd. Een onmiddellijke ontruiming is dientengevolge volgens [eisers] c.s. feitelijk onuitvoerbaar en medische onverantwoord. Ook voeren [eisers] c.s. aan dat de kantonrechter het vonnis zonder motivering en zonder kennisneming van alle relevante processtukken uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Dit levert een feitelijke of juridische misslag op. Dit heeft tot gevolg dat in deze kortgedingprocedure alsnog een belangenafweging dient plaats te vinden, waarin ook relevante feiten en omstandigheden van na die beslissing dienen te worden betrokken. Gelet op de belangen van hun twee kwetsbare minderjarige kinderen en uiterst kwetsbare inwonende (schoon)ouders dient volgens [eisers] c.s. een belangenafweging in hun voordeel uit te vallen. 3.
  19. [gedaagden] c.s. voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.
  20. Vooropgesteld wordt dat het hier gaat om een executiegeschil ex artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij – zoals hier – uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen. Partijen hebben na het vonnis van de kantonrechter in het kader van een executiegeschil bij vaststellingsovereenkomst afspraken gemaakt. Tussen partijen is in geschil of [eisers] c.s. een beroep toekomt op vernietiging van die overeenkomst. Dit geschil behoeft in deze procedure niet te worden beslecht. Immers ook als de vaststellingsovereenkomst gerechtelijk dan wel buitengerechtelijk is/wordt vernietigd, blijft van kracht het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de kantonrechter, dat in beginsel onverkort door [gedaagden] c.s. ten uitvoer kan worden gelegd. 4.
  21. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet, behoudens het geval dat sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, in beginsel worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing. In het geval de rechter, zoals hier, in de bestreden beslissing een niet-gemotiveerd oordeel heeft gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, moet ervan uit worden gegaan dat nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. Deze afweging dient derhalve in deze kortgedingprocedure alsnog te worden gemaakt. Daarbij kunnen zowel omstandigheden van vóór als ná de bestreden beslissing van belang zijn (vgl. HR 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026)). Kennelijke misslag De voorzieningenrechter volgt [eisers] c.s. niet in hun betoog dat het vonnis van de kantonrechter klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. [eisers] c.s. hebben hun stelling dat de kantonrechter niet van alle door hen ingediende processtukken kennis heeft genomen, in het geheel niet onderbouwd en om die reden wordt die stelling gepasseerd. De omstandigheid dat de kantonrechter de toewijzing van de door [gedaagden] c.s. gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet heeft gemotiveerd valt evenmin als een misslag aan te merken, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat [eisers] c.s. in de procedure bij de kantonrechter op dat specifieke onderdeel van de vordering verweer hebben gevoerd. Belangenafweging Vervolgens is de vraag in wiens voordeel een belangenafweging dient uit te vallen. Het belang aan de zijde van [gedaagden] c.s. is evident. Uitgaande van het vonnis van de kantonrechter verblijven [eisers] c.s. al sinds november 2024 zonder recht of titel in het gehuurde en sinds het vonnis van de kantonrechter is de betalingsachterstand, die destijds al fors was, alleen maar groter geworden. Niet ter discussie staat immers dat [eisers] c.s. de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde betalingsafspraken niet zijn nagekomen. Daarmee is er voor [gedaagden] c.s. een groot verhaalsrisico en worden zij geschaad in hun recht om ongestoord over hun eigendom te kunnen beschikken. Daarnaast hebben [gedaagden] c.s. voldoende aannemelijk gemaakt dat zij met hun hypotheekverstrekker duidelijke afspraken hebben gemaakt over de lengte van de periode van verhuur en dat een voortdurend verblijf van [eisers] c.s. in het gehuurde in strijd is met die afspraken. Daartegenover staan de door [eisers] c.s. gestelde belangen, te weten de aanwezigheid in het gehuurde van twee minderjarige kinderen en twee (schoon-)ouders met een slechte gezondheid. Ten aanzien van de aanwezigheid van de (schoon-)ouders geldt dat – zoals [gedaagden] c.s. terecht hebben aangevoerd – zij op grond van artikel 1.3 van de huurovereenkomst slechts met toestemming van [gedaagden] c.s. in het gehuurde mogen verblijven. Niet ter discussie staat dat [gedaagden] c.s. die toestemming niet hebben gegeven. Dat betekent dat de (schoon-)ouders zonder recht of titel in het gehuurde verblijven. Het belang van de minderjarige kinderen van [eisers] c.s. (van 12 en 15 jaren oud) weegt daarentegen op grond van de geldende internationale regelgeving wel zwaar. Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt immers dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ook indien deze worden genomen door rechters, de belangen van het kind de eerste overweging moeten vormen. Voorkomen moet worden dat zij hun vertrouwde woonomgeving plotsklaps verliezen. Bovendien is niet gebleken dat bij effectuering van de aangezegde ontruiming op 12 juni 2025 alternatieve woonruimte voor of opvang van de minderjarige kinderen van [eisers] c.s. geregeld is. Dit belang afgezet tegen de belangen van [gedaagden] c.s. leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat [gedaagden] c.s. de executie van het vonnis van de kantonrechter voor wat betreft het ontruimen en verlaten van het gehuurde eerst per 1 september 2025 ter hand mogen nemen. Daarmee wordt [eisers] c.s. (nogmaals) een redelijke periode gegund om te voorzien in nieuwe woonruimte voor zowel henzelf als hun minderjarige kinderen (en mogelijk ook de (schoon-)ouders). Hieraan wordt echter ter waarborging van de belangen van [gedaagden] c.s. de voorwaarde verbonden dat [eisers] c.s. de gebruiksvergoeding van maandelijks € 3.359,88 over de maanden mei, juni, juli en augustus 2025, in totaal € 13.439,52, binnen 14 dagen na heden aan [gedaagden] c.s. dienen te betalen, bij gebreke waarvan [gedaagden] c.s. de executie mogen hervatten. Een en ander leidt tot onderstaande beslissing. 4.
  22. [eisers] c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] c.s. worden begroot op: - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 715,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.224,00 5De beslissing De voorzieningenrechter: 5.
  23. schorst de executie van het vonnis van de kantonrechter van 13 maart 2025 (gewezen in de zaak met rolnummer 11047731 RL EXPL 24-7586) uitsluitend met betrekking tot de ontruiming en verlating van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] tot uiterlijk 1 september 2025; 5.
  24. bepaalt dat voormelde schorsing vervalt – en dat de bevoegdheid van [gedaagden] c.s. om tot ontruiming op grond van voornoemd vonnis over te gaan dus herleeft – indien [eisers] c.s. de gebruiksvergoeding van maandelijks € 3.359,88 voor de woning over de maanden mei, juni, juli en augustus 2025, in totaal € 13.439,52, niet betalen aan [gedaagden] c.s. binnen 14 dagen na heden; 5.
  25. veroordeelt [eisers] c.s., nu zij grotendeels in het ongelijk zijn gesteld, in de proceskosten van € 1.224,- (te weten griffierecht € 331,00, salaris advocaat € 715,00, nakosten € 178,00 (plus na te melden verhoging), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eisers] c.s. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.
  26. verklaart dit vonnis en deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  27. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 11 juni
  28. jrk New York, 20 november 1989, zoals nadien gewijzigd, zie Tractatenblad 1990,46 en 1996,188.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.