← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:10954

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.9129 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 2023 van Oekraïense nationaliteit (‘eiseres’, ‘zij’ en ‘haar’) (gemachtigde: mr. J-A. Nijland), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigde: mr. S. Imami). Procesverloop Eiseres heeft op 5 maart 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag. De minister heeft op 5 april 2024 een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 15 april 2024 op het verweerschrift gereageerd. Eiseres heeft op 3 december 2024 op verzoek van de rechtbank gereageerd op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 8 juli

  1. Op 11 december 2024 heeft de minister een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 16 december 2024 op het aanvullend verweerschrift gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. F. Engelbertink, als waarneemster van de gemachtigde van eiseres. Als tolk is verschenen M. Bulegenova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Overwegingen 1.1 Eiseres is afkomstig uit Oekraïne. Zij heeft op 1 augustus 2021 een asielaanvraag ingediend omdat zij stelt gevaar te lopen vanwege haar genderidentiteit en hoe daar in de maatschappij en het juridisch systeem in Oekraïne mee om wordt gegaan. 1.2 Op 24 februari 2022 zijn strijdkrachten van de Russische Federatie begonnen met een grootschalige militaire invasie van Oekraïne en is een gewapend conflict op het grondgebied van Oekraïne uitgebroken. Als gevolg hiervan zag een grote hoeveelheid personen zich genoodzaakt Oekraïne te ontvluchten en zich naar het grondgebied van de Europese Unie te begeven. Gelet op de massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne bestond er volgens de Raad een duidelijk risico dat de asielstelsels van de lidstaten de aankomst van deze ontheemden niet konden verwerken zonder nadelige gevolgen voor de goede werking ervan en voor de belangen van de betrokkenen en van andere personen die om internationale bescherming vragen. De Raad heeft daarom op 4 maart 2022 besloten om met het Uitvoeringsbesluit 2022/3821 krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming aan bepaalde categorieën personen tijdelijke bescherming te bieden die als gevolg van het gewapende conflict in Oekraïne ontheemd zijn geraakt. 1.3 In het Uitvoeringsbesluit heeft de Raad bepaald dat de volgende categorieën personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie van Oekraïne overeenkomstig de richtlijn tijdelijke bescherming krijgen: Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven; staatlozen en onderdanen van andere landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genoten; en, gezinsleden van de in punten a. en b. genoemde personen. 1.4 Met een Kamerbrief van 30 maart 2022 is toegelicht hoe de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit in Nederland zal worden toegepast. Hierin is onder andere toegelicht dat de volgende personen met de Oekraïense nationaliteit onder de bescherming van de richtlijn worden gebracht: “Personen met de Oekraïense nationaliteit die: Op 23 februari 2022 in Oekraïne verbleven; Op of na 27 november 2021 Oekraïne zijn ontvlucht omdat de spanningen toenamen of die zich op of na 27 november 2021 op het grondgebied van de Unie bevonden (bijvoorbeeld voor vakantie of werk); Kunnen aantonen dat zij in de periode vóór 27 november 2021 al in Nederland verbleven, bijvoorbeeld vanwege een eerder ingediende asielaanvraag, op basis van een reguliere verblijfsvergunning of een verblijfsvergunning die is beëindigd. (…) Ten aanzien van Oekraïners is daarnaast besloten om ook diegenen die vóór 27 november 2021 in Nederland verbleven onder de bescherming van de richtlijn te brengen. Dit voorkomt dat Oekraïners zonder rechtmatig verblijf een (nieuwe) verblijfsprocedure zullen starten, waarbij waarschijnlijk gekozen zal worden voor een asielbeoordeling.”
  2. Na de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming is eiseres op 25 oktober 2022 en op 13 december 2022 nader gehoord en op 15 december 2022 aanvullend gehoord. Omdat een beslissing uitbleef, heeft eiseres de minister op 17 augustus 2022 en op 20 december 2022 in gebreke gesteld. Bij brief van 9 februari 2024 heeft de minister eiseres geïnformeerd dat zij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. Vervolgens is eiseres op 5 maart 2024 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
  3. De minister voert aan dat eiseres onder de reikwijdte van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt, omdat zij zich vóór 27 november 2021 in Nederland bevond. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat ervoor is gekozen om voor alle Oekraïners die zich vóór 27 november 2021 in Nederland bevonden één lijn te trekken en ze dus allemaal onder de bescherming van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming te brengen. Op grond van artikel 43a van de Vreemdelingenwet 2000 moet binnen zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming beslist worden. Dit volgt ook uit artikel 17, tweede lid van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De 21 maanden termijn zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid van de Procedurerichtlijn is daarom niet van toepassing op eiseres omdat de tijdelijke bescherming langer dan 21 maanden kan duren. 3.1 Eiseres voert aan dat de minister binnen zes maanden dan wel binnen 21 maanden na het indienen van de asielaanvraag daarop had moeten beslissen. Uit de systematiek van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de Procedurerichtlijn, mede gelet op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 30 juni 2022, volgt immers dat de maximale beslistermijn van 21 maanden van toepassing is. In het geval van eiseres heeft ook nog te gelden dat zij ruim na de activering van de richtlijn, uitgebreid is gehoord over haar asielmotieven. Hierdoor heeft de minister op z’n minst het vertrouwen gewekt dat op haar asielaanvraag wordt beslist, ondanks de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De minister kan eiseres met de brief van 9 februari 2024 niet alsnog onder het bereik van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming scharen en de beslissing op haar asielaanvraag op die grond uitstellen. Daardoor handelt de minister in strijd met het vertrouwensbeginsel.
  4. De rechtbank overweegt dat zij als eerste moet beoordelen of eiseres onder de bescherming van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming is gebracht. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de rechtbank zich uitlaten over de verhouding tussen artikel 17, tweede lid van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de uiterste beslistermijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid van de Procedurerichtlijn. 4.1 Voor beantwoording van de vraag of eiseres onder de bescherming van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt, moet worden beoordeeld of eiseres is aan te merken als een persoon met de Oekraïense nationaliteit die in de periode vóór 27 november 2021 al in Nederland verbleef, bijvoorbeeld vanwege een eerder ingediende asielaanvraag, op basis van een reguliere verblijfsvergunning of een verblijfsvergunning die is beëindigd. Volgens de Kamerbrief van 30 maart 2022 is namelijk besloten om deze groep bescherming onder de Richtlijn aan te bieden, om te voorkomen dat Oekraïners zonder rechtmatig verblijf een (nieuwe) verblijfsprocedure zullen starten. Eiseres heeft op 1 augustus 2021 een asielaanvraag ingediend, waarmee zij op 27 november 2021 al rechtmatig verblijf had. Gelet hierop valt eiseres niet onder deze groep personen met de Oekraïense nationaliteit en is zij, anders dan de minister stelt, niet onder bescherming van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming gebracht. 4.2 Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiseres ontheemd is geraakt door het gewapende conflict in Oekraïne. De asielmotieven van eiseres houden verband met gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voordat het conflict begon. Nu eiseres niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt, moest er binnen zes maanden na het indienen van de asielaanvraag worden beslist. Dit betekent ook dat de maximale beslistermijntermijn van 21 maanden op haar aanvraag van toepassing is. Deze termijn is op 1 mei 2023 verstreken en dus ruimschoots overschreden.
  5. Het beroep is vanwege bovenstaande overwegingen gegrond. De rechtbank komt niet toe aan de overige gronden. Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
  6. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
  7. De rechtbank ziet geen aanleiding om de minister een beslistermijn van zestien weken op te leggen zoals volgt uit de vaste rechtspraak van de Afdeling. De Afdeling heeft in deze uitspraak bij het opleggen van zestien weken namelijk van belang geacht dat de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn niet in zicht was. Dat is bij eiseres niet het geval. De 21 maanden termijn is verstreken zonder dat de minister een besluit heeft genomen. Bovendien hoeft eiseres niet meer gehoord te worden, omdat zij op 25 oktober 2022 en op 13 december 2022 nader is gehoord en op 15 december 2022 aanvullend is gehoord. Omdat de minister wel een redelijke termijn moet worden gegeven om een beslissing te nemen, draagt de rechtbank de minister op om uiterlijk binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. Wat is de hoogte van de rechterlijke dwangsom?
  8. De rechtbank volgt de uitspraak van 30 november 2022 waarin artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, voor zover daarin is bepaald dat artikel 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onverbindend is verklaard wegens strijd met artikel 47 van het Handvest. Net als in die uitspraak, betekent het voorgaande ook in deze zaak dat de rechtbank wél overeenkomstig artikel 8:72, zesde lid, van de Awb een (rechterlijke) dwangsom kan opleggen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de minister een nadere dwangsom van € 250,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk omdat de 21 maanden termijn ruimschoots is verstreken zonder dat de minister heeft beslist op de aanvraag.
  9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten die zij in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het verweerschrift van 15 april 2024, 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het aanvullende verweerschrift van 3 december 2024 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - draagt de minister op uiterlijk binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen; - bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; en, - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.721,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. ECLI:NL:RBDHA:2024:
  10. Raad van de Europese Unie. Zie punt 7 van de considerans bij het Uitvoeringsbesluit. Richtlijn 2001/55/EG. Artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit. Kamerstuk 19637, nr.
  11. ECLI:NL:RBDHA:2022:
  12. Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:
  13. ECLI:NL:RVS:2022:
  14. Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.