Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 24/8427 en SGR 24/8429 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaken tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: A. Oosters), en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, heffingsambtenaar. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraken van de heffingsambtenaar van 17 september 2024 op de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2023 op € 810.000 en voor het kalenderjaar 2024 op € 872.000 is vastgesteld. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025. Namens belanghebbende is de gemachtigde verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Koopmans. Overwegingen 1. Bij ambtshalve besluit van 24 oktober 2024 zijn de aanslagen van de jaren 2023 en 2024, naar aanleiding van de inpandige opname van 23 oktober 2024 door de heffingsambtenaar ambtshalve vernietigd. Uit de inpandige opname is gebleken dat de objectafbakening onjuist is. De heffingsambtenaar heeft daarbij een proceskostenvergoeding toegekend van € 312, bestaande uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift (met een waarde per punt van € 624,-), 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting (met een waarde per punt van € 624,-) en een wegingsfactor 1 wegens samenhang. Hierbij heeft de heffingsambtenaar de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 toegepast voor de bezwaarfase. De (nader voorgestelde) waarde van de woning en de proceskostenvergoeding in bezwaar zijn niet langer in geschil. Het beroep ziet slechts op de toepassing van vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ in beroep. 2. Belanghebbende verzoekt de rechtbank ter zitting om de reactie van de heffingsambtenaar op zijn pleitnota – mede gelet op de omvang van de stukken – tardief te verklaren omdat dit in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank gaat voorbij aan dit verzoek. Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Stukken die kort voor de zitting worden ingediend, kunnen buiten beschouwing worden gelaten indien en voor zover de wederpartij in zijn procesbelang is geschaad. De reactie op de pleitnota is in de ochtend van 2 april 2025 ingediend, bestaat uit drie pagina’s en vier bijlagen met voornamelijk jurisprudentie, waarmee gemachtigde verondersteld wordt bekend te zijn, en is niet van een omvang dat kan worden gezegd dat belanghebbende onvoldoende tijd heeft gehad om deze te bestuderen. In dit geval is van een benadeling van belanghebbende in zijn processuele positie door de late indiening van de reactie van de heffingsambtenaar dan ook geen sprake. Belanghebbende heeft voor de zitting kennis kunnen nemen van deze reactie. Bovendien heeft belanghebbende ter zitting voldoende tijd en gelegenheid gehad om hierop te reageren. De rechtbank acht de reactie van de heffingsambtenaar dan ook niet tardief en ziet geen schending van de goede procesorde. 3. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn stelling dat het beroep onnodig is ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank had belanghebbende, gelet op de inhoud van de uitspraak op bezwaar, voldoende aanleiding om beroep in te stellen. Dat de heffingsambtenaar kort na het instellen van het beroep alsnog tot vernietiging van de beschikking is overgegaan, maakt niet dat het beroep op het moment van indiening als onnodig moet worden beschouwd. 4. Belanghebbende bepleit wat betreft de kosten voor het beroep dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ niet op hem van toepassing is omdat hij voldoet aan de uitzonderingen zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. 5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (
- i)wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (
- ii)daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. 6. Het is aan de gemachtigde om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. Gemachtigde stelt dat hij tot 2024 diensten op basis van no cure no pay verleende en dat hij vanaf 2024 diensten verleent op basis van een uurtarief. Gemachtigde heeft een factuur van € 128,26 exclusief btw overgelegd die ziet op het opstellen van een taxatierapport en een overeenkomst die ziet op de bezwaarfase. Niet gebleken is dat er naast de overgelegde factuur nog andere kosten in rekening kunnen worden gebracht. Daarmee heeft de gemachtigde naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft met de enkele verwijzing door zijn gemachtigde naar diens website geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfactor(
- en)wel geld(t)(en). In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025 geldt dat het uitblijven van een dergelijke onderbouwing ertoe leidt dat geen sprake is van een bijzonder geval. Daarnaast kan de rechtbank op een enkele factuur niet oordelen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een bijzonder geval is. Nog daargelaten dat het doel van de proceskostenvergoeding niet eruit bestaat de werkelijke kosten te vergoeden, maar het bieden van een tegemoetkoming in die kosten. Gelet hierop past de rechtbank de vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe. 7. Belanghebbende stelt dat, gelet op de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, recht bestaat op een vergoeding van € 128,26 voor het in bezwaar ingebrachte taxatierapport. Het is echter niet aannemelijk geworden dat de taxateur van belanghebbende meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed. Een kostenvergoeding volgens de Richtlijn voor een tijdsbesteding van twee uur is dan disproportioneel en er bestaat aanleiding deze te matigen. De rechtbank acht een tijdsbesteding van tien minuten daarom redelijk en komt daarmee uit op een vergoeding voor de kosten van het taxatierapport van € 10,69 (1/6 uur x € 53 te vermeerderen met 21% btw). 8. In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit worden beschouwd als één zaak. Op grond van het tweede lid zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarbij dient per fase van de procedure (bezwaar- dan wel beroepsfase) te worden beoordeeld of sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt vast dat deze zaken in de beroepsfase op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en de werkzaamheden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek is geweest. Ze zijn in beroep gezamenlijk en in samenhang met elkaar behandeld. De rechtbank merkt de zaken daarom aan als samenhangend. 9. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 787,69 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- (tarief 2025) en wegingsfactor 0,25 (totaal bezwaarfase € 323,50) en € 10,69 voor het taxatierapport; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- (tarief 2025), -en een wegingsfactor 0,25 (totaal beroepsfase € 453,50). 10. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Over de vraag of deze wettelijke bepaling onrechtmatig is, zoals belanghebbende meent, laat de rechtbank zich niet uit. De rechtbank is als bestuursrechter namelijk niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 787,69; draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden; draagt de heffingsambtenaar op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van G.M. Kraus, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). ECLI:NL:HR:2025:46. Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507. ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 5.3.5.2. ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, laatste volzin. ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.2 t/m 3.4.6. Vgl. Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1539, in cassatie op Hof Amsterdam 23 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4775 Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ. Zie ECLI:NL:HR:2025:156.