RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.46767 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1991, van Georgische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het inreisverbod dat verweerder aan hem heeft opgelegd. 1.
- Op 31 oktober 2024 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 23 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard en het eerder opgelegde inreisverbod gehandhaafd. 1.
- Eiser heeft op 26 november 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
- Op 23 december 2024 heeft verweerder aan de rechtbank een vertrekverklaring van eiser overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat eiser op 13 december 2024 vrijwillig is vertrokken naar Georgië en dat hij ermee instemt dat openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd, met uitsluiting van procedures gericht tegen een terugkeerbesluit of inreisverbod. 1.
- De gemachtigde van eiser heeft op 6 januari 2025 desgevraagd laten weten dat eiser zijn beroep handhaaft voor zover dit is gericht tegen het handhaven van het inreisverbod door verweerder. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder heeft hieraan deelgenomen. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering vooraf, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Wat ging er aan deze zaak vooraf?
- Eiser heeft in 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 14 augustus 2023 afgewezen omdat eiser geen relevant asielmotief heeft aangedragen en afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Op basis van deze afwijzingsgronden heeft verweerder de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 . Bij deze ongegrondverklaring heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 14 augustus 2023, zodat dit besluit in rechte vaststaat. Waar gaat deze zaak over?
- Eiser stelt zich in deze procedure enkel nog op het standpunt dat verweerder ambtshalve aanleiding had moeten zien om het inreisverbod op te heffen. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van 4 oktober 2024 kan Georgië namelijk niet meer als veilig land van herkomst worden aangemerkt. Eiser wijst in dit kader ook op het informatiebericht van verweerder van 9 oktober
- Gelet hierop kan het eerder opgelegde inreisverbod niet gehandhaafd blijven. 3.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. De handhaving van het inreisverbod roept namelijk geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven die niet al eerder, bij de oplegging daarvan, waren ontstaan. De handhaving van het inreisverbod is daarmee niet op enig rechtsgevolg gericht, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. 3.
- Op grond van het [naam] -arrest moet de rechtbank een nationale procedureregel buiten beschouwing laten als datgene wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat gesteld nog gebleken is dat eiser bij terugkeer naar Georgië een dergelijk risico loopt. De rechtbank betrekt daarbij ook dat eiser vrijwillig is teruggekeerd naar Georgië. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van eisers beroep toekomt.
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Vreemdelingenwet
- Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2024:
- IB 2024/
- Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 ( [naam] tegen Nederland), ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494; zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.