← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:11015

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: AWB 24/9746 en 24/9590 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2025 in de zaken tussen [eisers] ., eisers V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2] (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en de minister van Buitenlandse Zaken, namens deze; Procesvertegenwoordiging IND, hierna: de IND (gemachtigde: [gemachtigde 2] ). Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van twaalf eisers tegen de afwijzing hun aanvragen voor een visum voor kort verblijf. 1.
  2. Eisers zijn afkomstig uit Ghana en hebben op 10 augustus 2023 een aanvraag voor afgifte van een visum voor kort verblijf ingediend omdat zij van 22 oktober 2023 tot 29 oktober 2023 een cursus wilden volgen aan de International Business School (IBS) in Den Haag. De IND heeft deze aanvragen met de primaire besluiten van 12 september 2023 en 17 september 2023 afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. 1.
  3. Met de bestreden besluiten van 14 mei 2024 en 21 mei 2024 heeft de IND de bezwaarschriften van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaarschriften niet binnen de wettelijke termijn van vier weken zijn ingediend. 1.
  4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De IND heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.
  5. De rechtbank heeft de beroepen op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eisers. De IND heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank
  6. De rechtbank beoordeelt of de IND de bezwaarschriften van eisers niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 2.
  7. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesbelang
  8. De rechtbank heeft de gemachtigde van eisers voorafgaand aan de zitting aanvullende vragen gesteld over het procesbelang van eisers omdat het visum zag op een cursus in het verleden, te weten van 22 tot 29 oktober
  9. De gemachtigde van eisers heeft toegelicht dat eisers procesbelang behouden, aangezien de betreffende cursussen meerdere keren per jaar worden aangeboden. Mocht er alsnog een positieve beslissing volgen, dan kunnen eisers nog steeds deelnemen aan de cursussen waarvoor zij zich hebben aangemeld. Dit is zowel in hun belang als in het belang van de school. De rechtbank kan deze redenering volgen en zal de beroepen van eisers inhoudelijk beoordelen. Juridisch kader
  10. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vier weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bepaald dat bij verzending per post het bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 4.
  11. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift
  12. De primaire besluiten zijn gedateerd 12 en 17 september 2023 en niet in geschil is dat de besluiten ook op die datum aan eisers bekend zijn gemaakt. Eisers hebben vanaf dat moment een termijn van vier weken gehad om een bezwaarschrift in te dienen, in dit geval tot en met 10 oktober 2023 respectievelijk 16 oktober
  13. 5.
  14. Eisers stellen dat zij op 20 september 2023 een pro forma bezwaarschrift hebben ingediend. Volgens de track en trace informatie van eisers is het pro forma bezwaarschrift door de IND ontvangen. De bezwaargronden dateren van 22 oktober
  15. De gemachtigde van eisers heeft een kopie van de track & trace informatie van PostNL overgelegd. Hieruit blijkt dat de bezwaargronden van 22 oktober 2023 zijn verzonden op 24 oktober
  16. In dit bezwaarschrift hebben eisers expliciet aangegeven dat zij tot op dat moment nog geen ontvangstbevestiging hadden ontvangen van het pro forma bezwaarschrift van 20 september
  17. Pas op 9 november 2023 ontvingen eisers de ontvangstbevestiging van hun bezwaarschrift van de IND. 5.2 De rechtbank stelt vast dat de brief van 9 november 2023, waarin de IND de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigt, niet vermeldt dat het bezwaarschrift van eisers te laat is ontvangen. Ook staat in deze brief niet vermeld om welk bezwaarschrift het gaat of op welke datum het bezwaarschrift van eisers is ontvangen. Eisers stellen dat zij gedurende het gehele bezwaarproces meerdere malen telefonisch contact hebben gehad met de IND over het verloop van de bezwaarprocedure. De IND heeft het punt van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift niet eerder naar voren gebracht aan eisers dan op 21 februari 2024 respectievelijk 27 februari
  18. Deze onduidelijkheid komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van de IND. 5.3 Omdat de brief van 9 november 2023 de datum van het bezwaarschrift niet vermeldt zijn er twee mogelijkheden. Ofwel is bedoeld het bezwaarschrift van 20 september
  19. Dat betekent dat het bezwaar tijdig is ingediend. Ofwel is bedoeld het bezwaarschrift van 22 oktober
  20. In dat geval ziet de rechtbank aanleiding voor toepassing van artikel 6:11 van de Awb. Ter zitting is namens eisers verklaard dat de track & trace informatie over de verzending van het bezwaarschrift van 20 september 2023 niet is bewaard omdat er geen reden was, ook niet na de brief van 9 november 2023, om te twijfelen aan de tijdige indiening van het bezwaar. Voorts is voor de rechtbank van belang dat de onduidelijkheid door de brief van 9 november 2023 voor rekening en risico van de IND dient te komen. De brieven van 21 februari 2024 en 27 februari 2024 maken dit oordeel ook niet anders, omdat deze ontvangstbevestigingen zien op het bezwaarschrift van 1 februari
  21. Dit bezwaarschrift is niet aan de orde in deze zaak. Conclusie en gevolgen
  22. De beroepen zijn gegrond. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar. 6.
  23. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de IND een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de IND hiervoor zes weken. 6.
  24. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de IND het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De IND moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de besluiten van 14 mei 2024 en 21 mei 2024; - draagt de IND op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de IND het griffierecht van € 374,- aan eisers moet vergoeden; - veroordeelt de IND tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 maart
  25. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie in dit kader ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 2.
  26. Deze uitspraak is met het oog op de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling gedaan door een grote kamer die uit vijf rechters bestaat: twee van het CBb, twee van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en één van de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.