← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:11024

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL23.40469 (beroep) en NL 24.15821 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. B. Aydin), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. S. Byeik). Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) op het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.
  2. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank
  5. De rechtbank beoordeelt in deze procedure of de minister eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.
  6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond van de zaak
  7. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 1 februari 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ bij [naam 1] 3.
  8. De minister heeft eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning in het primaire besluit afgewezen, omdat hij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Eiser voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste in paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). 3.
  9. De minister heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit ongegrond verklaard. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat de aanvraag niet mag worden afgewezen op grond van het mvv-vereiste. Het op 1 oktober 2022 ingevoerde mvv-vereiste voor Turkse staatsburgers is een aanscherping in de zin van de standstillbepaling in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Die aanscherping is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) toegestaan als deze kan worden gerechtvaardigd. Dat is volgens de minister het geval omdat de aanscherping een rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelen te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk om die doelen te verwezenlijken. Juridisch kader
  10. De rechtbank verwijst voor het juridisch kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november
  11. Is er een wettelijke basis voor het toepassen van het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen?
  12. Eiser doet een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 juni
  13. In die uitspraak oordeelt de rechtbank dat er geen wettelijke basis is voor de in het beleid gecreëerde afwijzingsgrond waardoor aan een Turkse onderdaan het mvv-vereiste wel kan worden tegengeworpen. Dat is op grond van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet toegestaan en daarom moet het beleid buiten toepassing worden gelaten. 5.
  14. De rechtbank is het met de minister eens dat er wel een wettelijke basis bestaat voor het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij aanvragen van Turkse onderdanen. De rechtbank verwijst in dit kader naar artikel 16 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en overweging 10 van de genoemde uitspraak van 7 november
  15. Hieruit volgt dat de minister bevoegd is om de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen als de vreemdeling niet beschikt over een mvv. Bij deze bevoegdheidsuitoefening is – kort gezegd – relevant dat een vreemdeling wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste als uitzetting in strijd is met het Turkse associatierecht. In het beleid, paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000, is uitgewerkt aan welke voorwaarden volgens de minister moet worden voldaan om te concluderen dat daarvan sprake is. Het beleid vormt dus de uitleg van de bevoegdheidsuitoefening van de minister. Dit betekent dat het beleid de uitleg geeft van een wettelijk voorschrift over het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Het beleid geeft weer hoe de minister beoordeelt of het invoeren van een mvv-vereiste strijd oplevert met het Turkse associatierecht bij door Turkse vreemdelingen ingediende aanvragen als bedoeld in artikel 14 van de Vw. Wordt de invoering van het mvv-vereiste verboden door de standstillbepaling? Dwingende reden van algemeen belang
  16. Eiser voert aan dat de minister het mvv-vereiste niet alleen heeft ingevoerd om illegaal verblijf en arbeid in Nederland tegen te gaan, maar bovenal om aan Turkse onderdanen een inburgeringsplicht op te leggen. Daarbij maakt de minister oneigenlijk gebruik van het arrest [naam 4] . Dit arrest is in 2018 gewezen, maar de minister heeft pas in 2022 het mvv-vereiste opnieuw ingevoerd. Hiervoor is dus geen dwingende reden van algemeen belang volgens eiser. 6.
  17. Uit de rechtspraak van het Hof, onder meer in de arresten [naam 2], [naam 3] en [naam 4], volgt dat, ondanks de standstillbepaling, een nieuwe beperking alleen ingevoerd mag worden als deze gerechtvaardigd wordt door dwingende redenen van algemeen belang. Ook volgt uit deze rechtspraak dat het effectief beheer van migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang kan vormen om het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond in te voeren. Dit geldt ook voor het voorkomen van onrechtmatige binnenkomst en verblijf en het waarborgen van de succesvolle integratie van onderdanen van derde landen. Aan de voorwaarde dat er een dwingende reden van algemeen belang bestaat, is dus voldaan. Dat de maatregel vier jaar na het arrest [naam 4] is ingegaan, betekent verder niet dat de redenen niet dwingend zijn. Dit betekent dan ook dat de nieuwe beperking in de vorm van het mvv-vereiste in beginsel gerechtvaardigd is, ondanks de standstillbepaling. De evenredigheid van de nieuwe beperking
  18. Eiser heeft gesteld dat de vereiste mvv geen geschikt middel is, omdat het vanuit Turkije bijna onmogelijk is om aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste te voldoen. Daarbij zal het aantal Turkse onderdanen zonder verblijfsvergunning dat in Nederland illegale arbeid verricht door de maatregel niet verminderen. 7.
  19. De rechtbank is van oordeel dat de invoering van het mvv-vereiste geschikt is om het nagestreefde doel van effectief beheer van migratiestromen te bereiken. Door invoering van het mvv-vereiste kan voorafgaand aan de feitelijke binnenkomst van de Turkse onderdaan worden onderzocht of aan alle vereisten voor toelating wordt voldaan en kan de rechtmatigheid van het verblijf worden gecontroleerd. Dit heeft het Hof ook geoordeeld in het arrest [naam 4] . De gestelde onmogelijkheid om aan de voorwaarden te voldoen vanuit Turkije speelt in het concrete geval van eiser niet en doet niet af aan de geschiktheid van de invoering van het mvv-vereiste om het doel van effectief beheer van migratiestromen te verwezenlijken. Een andere, minder vergaande, maatregel is naar het oordeel van de rechtbank moeilijk denkbaar. Immers, dan wordt afbreuk gedaan aan het belang en doel van de Nederlandse staat dat zij slechts personen op haar grondgebied wil toelaten die legaal mogen verblijven. 7.
  20. De rechtbank is verder van oordeel dat de voorwaarde dat een vreemdeling moet voldoen aan alle overige gestelde voorwaarden voordat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, in het algemeen niet verder gaat dan noodzakelijk. Eiser heeft evenwel terecht opgeworpen dat deze voorwaarde problematisch is voor Turkse vreemdelingen die een eenmanszaak of vennootschap onder firma (V.O.F.) willen inschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK) vanuit Turkije. Dat probleem betwist de minister ook niet. Deze beroepsgrond kan eiser echter niet baten, omdat hij zich vanuit Nederland heeft kunnen inschrijven bij de KvK waardoor dit probleem niet speelt in zijn geval. Over de invoering van het mvv-vereiste en het discriminatieverbod
  21. De rechtbank volgt verder ook het betoog van eiser niet dat invoering van het mvv-vereiste in strijd is met artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Artikel 9 bepaalt dat binnen de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst en onverminderd de bijzondere bepalingen krachtens artikel 8, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in het huidige artikel 18 van het VWEU vermelde beginsel. Uit het arrest Commissie tegen Nederland volgt dat onevenredige nieuwe beperkingen strijdig zijn met het in artikel 9 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginsel van non-discriminatie. Omdat de beperking in kwestie echter, zoals hiervoor aan de orde geweest, geschikt, noodzakelijk en evenredig is, sluit dat uit dat deze discriminatoir is. De hoorplicht
  22. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar en dat de minister terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht. De minister mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. 9.
  23. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank acht van belang dat de minister jarenlang het mvv-vereiste niet heeft tegengeworpen aan Turkse zelfstandigen en dat het gaat om complexe materie. Bovendien hebben verschillende rechtbanken aanleiding gezien om zaken over dezelfde materie te behandelen op een zitting van de meervoudige kamer en dat heeft geleid tot uiteenlopende uitspraken. Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat eisers bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Gelet hierop was van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift geen sprake. Het besluit is dan ook in strijd met artikel 7:2 van de Awb genomen. Omdat de gemachtigde van eiser veel zaken van Turkse zelfstandigen doet, lag het op de weg van de minister om in ieder geval in één zaak met de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase van gedachten te wisselen over deze complexe materie. Het getuigt van onzorgvuldigheid om dat niet te doen. 9.
  24. De rechtbank ziet echter aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een principiële zaak waarin eiser er bewust voor heeft gekozen – zoals zijn gemachtigde op zitting heeft toegelicht – om de benodigde bewijsstukken overeenkomstig bijlage 8aa niet in te dienen of individuele omstandigheden naar voren te brengen. Ook is van belang dat eiser in beroep uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om zijn visie op de zaak te geven en de minister daarop heeft kunnen reageren. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de minister daarin geen aanleiding hoeven zien om af te zien van de afwijzing van de aanvraag. Het is niet aannemelijk dat de minister een andersluidend besluit zou hebben genomen als eiser wel zou zijn gehoord. Conclusie en gevolgen
  25. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
  26. De minister moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, zoals onder 9.
  27. is overwogen. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Beslissing De rechtbank, inzake NL23.40469: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, inzake NL 24.15821: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken: - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 374 aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Het Aanvullend Protocol, ondertekend op 23 november 1970 en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december
  28. Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18426, onder 4-
  29. Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:
  30. Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18426, onder 4-
  31. Arrest van het Hof van 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:
  32. Arrest van het Hof van 29 maart 2017, ECLI:EU:C:2017:239, punt
  33. Arrest van het Hof van 12 april 2016, [naam 3] , C561/14, EU:C:2016:247, punt
  34. Arrest van het Hof van 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:
  35. Arrest van het Hof van 7 november 2013, [naam 5], C225/12, EU:C:2013:725, punt 41; arrest van het Hof van 12 april 2016, [naam 3] , C561/14, EU:C:2016:247, punt
  36. Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18071 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:
  37. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Arrest van het Hof van 29 april 2010, Commissie/Nederland, C92/07, EU:C:2010:228, punt
  38. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1168, onder 12.1.
  39. Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 t/m 5.
  40. Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder
  41. Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12223 en van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 25 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:
  42. Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3132 en de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3608.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.