proces-verbaal uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.37748 V-nummer: [v-nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1991, van Ghanese nationaliteit, eiseres (gemachtigde: mr. J. van Appia) en de minister van Buitenlandse zaken, de minister (gemachtigde: mr. F. Mahler). Inleiding
- Bij besluit van 14 september 2022 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres voor de verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Eiseres heeft op 12 oktober 2022 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.
- Bij besluit van 14 november 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het door eiseres ingestelde bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. 1.
- Eiseres heeft op 30 november 2023 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.
- De minister heeft op 11 februari 2025 een verweerschrift ingediend. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen. 1.
- Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing
- De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Overwegingen
- In geschil is hoofdzakelijk of eiseres tijdig zal terugkeren naar Ghana. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Eiseres kon zeven jaar geleden ook bij haar oom (referent) in Nederland op bezoek komen. Dat wordt hier ook niet betwist. Nu wil eiseres wederom haar oom bezoeken en zegt zij dat zij ook nu weer tijdig terug zal keren naar Ghana. Eiseres heeft er daarbij op gewezen dat zij in Ghana studeert, er familie heeft en dat haar hele leven zich daar afspeelt. Eiseres heeft aangegeven geen reden te hebben om zich te willen vestigen in Nederland. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom deze onderbouwing van eiseres niet geloofwaardig is. Als de minister voornemens is toch vestigingsgevaar tegen te werpen, dan moet eiseres wel eerst de eerlijke kans krijgen om de minister te overtuigen dat zij redenen heeft waarom zij wel tijdig zal terugkeren. Dit kan de minister doen door eiseres te horen. Dit is in deze zaak niet gedaan, waardoor de hoorplicht is geschonden. Tijdens het gehoor kan het tegenwerpen van het middelenvereiste, de missende stukken en de bij verweerder in het besluit spelende vragen rondom de studie ook worden besproken.
- Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het proces al zo lang heeft geduurd, geeft de rechtbank de minister hiervoor een termijn van acht weken.
- Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2025 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 17 maart 2025 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.