RECHTBANK Den Haag Team handel - voorzieningenrechter Zaaknummers: C/09/683484 / KG ZA 25-323 en C/09/683493 / KG ZA 25-325 Vonnis in kort geding van 24 juni 2025 in de zaak met nummer 25-323 van [eiser] te [woonplaats 1] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , advocaten: mr. M.C. Schepel en mr. L.V. van der Gun, tegen [gedaagde] te [woonplaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: [woonplaats 2] , advocaten: mr. E.E.U. Vroom, mr K.M.H. de Roo en mr. J.C.G. Straatman, en in de gevoegde zaak met nummer 25-325 van [eiseres] B.V. te [woonplaats 1] , eiseres, hierna te noemen: [eiseres] , advocaten: mr. M.C. Schepel en mr L.V. van der Gun, tegen [gedaagde] te [woonplaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: [woonplaats 2] , advocaten: mr. E.E.U. Vroom, mr K.M.H. de Roo en mr. J.C.G. Straatman. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure met nummer 25-323 blijkt uit : - de dagvaarding van 15 april 2025, met producties en aanvullende producties; - de producties van [woonplaats 2] . 1.2. Het verloop van de procedure met nummer 25-325 blijkt uit : - de dagvaarding van 15 april 2025, met producties en aanvullende producties; - de producties van [woonplaats 2] . 1.3. De mondelinge behandeling in beide zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 13 mei 2025. De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier. 1.4. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben [eiser] en [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de door [woonplaats 2] ingediende conclusie van antwoord van 36 pagina’s, die daags voor de zitting is ingediend. Ter zitting heeft [woonplaats 2] verklaard dat het door onvoorziene omstandigheden niet is gelukt de conclusie van antwoord eerder in te dienen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter beslist dat de conclusie van antwoord buiten beschouwing wordt gelaten, omdat deze ruimschoots later dan de in het dagbepalingsbericht vermelde termijn van (uiterlijk) 48 uur (twee werkdagen) is ingediend en [woonplaats 2] geen goede reden heeft gegeven voor de late indiening. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet om de producties van [woonplaats 2] buiten beschouwing te laten. De conclusie van antwoord is nadien uit het procesdossier verwijderd. 1.5. Vervolgens zijn de zaken aangehouden tot 31 mei 2025 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te bereiken. 1.6. Bij bericht van 1 juni 2025 hebben [eiser] en [eiseres] de voorzieningenrechter verzocht om in beide zaken vonnis te wijzen. De griffier heeft [woonplaats 2] verzocht zich hierover uit te laten, maar [woonplaats 2] heeft binnen de gestelde termijn geen reactie gegeven. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [broer 1] (hierna: [broer 1] ), [broer 2] (hierna: [broer 2] ) en [woonplaats 2] zijn broers. [eiser] is een zoon van [broer 1] . 2.2. [broer 1] , [broer 2] en [woonplaats 2] hebben hun gezamenlijke vermogen en het vermogen dat aan hun kinderen toekomt (hierna: de gezamenlijke belangen) ondergebracht in verschillende internationale structuren. 2.3. In 2017 hebben de broers onenigheid gekregen. Uiteindelijk zijn zij overeengekomen om de gezamenlijke belangen te ontvlechten. In dit kader hebben zij een mediationtraject doorlopen met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als mediator. Vervolgens hebben partijen verder onderhandeld onder leiding van notaris mr. [notaris] (hierna: mr. [notaris] ). 2.4. Voor hun gezamenlijke beleggingen maken de broers onder meer gebruik van de commanditaire vennootschap [eiseres] C.V. [eiseres] is beherend vennoot; [broer 1] , [broer 2] en [woonplaats 2] zijn commandieten. Sinds 28 juni 2024 is [eiser] enig bestuurder van [eiseres] . [eiser] is de opvolger van de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), die vanaf mei 2023 bestuurder was. [eiseres] is (of was) eigenaar van onder meer een hotelpand in [woonplaats 2] , bij partijen bekend als [hotelpand] (hierna: [hotelpand] ). 2.5. In april 2021 hebben [broer 1] , [broer 2] , [woonplaats 2] , [eiseres] C.V. en [eiseres] een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de verkoop van [hotelpand] . In deze vaststellingsovereenkomst (hierna: [VSO] ) zijn partijen in artikel 2.1 onder meer overeengekomen dat [broer 1] , [broer 2] en [woonplaats 2] zich onthouden, dan wel afstand doen, van enig huidige of toekomstige aansprakelijkheidsstelling jegens [eiseres] ter zake de onroerende zaak. 2.6. In een vaststellingsovereenkomst van 13 december 2022 zijn (onder meer) [broer 1] , [woonplaats 2] , [broer 2] en [eiseres] overeengekomen dat de ontvlechting van de gezamenlijke belangen dient te worden uitgevoerd volgens een stappenplan dat is opgenomen in een aangehechte bijlage. Daarbij hebben zij [eiser] aangewezen als gevolmachtigde om voor en namens partijen alles te verrichten wat nodig is om de ontvlechting te bewerkstelligen. [eiser] is daarnaast bestuurder van een aantal bij de ontvlechting betrokken vennootschappen. In de vaststellingsovereenkomst staat, voor zover hier van belang, het volgende: “2.3 Partijen hebben de Volmacht verleend uitsluitend met het doel dat de Gevolmachtigde de Ontvlechting kan bewerkstelligen. Echter, de Gevolmachtigde kan afwijken van een bepaalde stap van de Ontvlechting indien en voor zover de gewijzigde stap tot hetzelfde resultaat leidt bij (volledige) uitvoering van de Ontvlechting of indien het resultaat niet hetzelfde is, als gevolg van de gewijzigde stap een situatie wordt bereikt die objectief gezien voor sommige betrokken Partijen gunstiger is mits de andere Partijen er geen nadelige gevolgen van ondervinden. (...) 5.1 In het kader van de Ontvlechting hebben Partijen over en weer rechtelijke procedures tegen elkaar aangespannen. Partijen garanderen hierbij dat deze procedures bij de ondertekening van deze Vaststellingsovereenkomst zijn beëindigd of zo spoedig mogelijk worden beëindigd, zijn ingetrokken en ingetrokken blijven. (...) Voorts garanderen Partijen geen nieuwe procedures aan te spannen tegen elkaar voor zover deze verband houden met de Gezamenlijke Belangen, de Administratie, de Geschillen, de Ontvlechting en deze Vaststellingsovereenkomst. 5.2 Partijen zullen noch elkaar noch de Gevolmachtigde, de Adviseurs, noch haar Werknemers - noch civielrechtelijk noch anderszins - aansprakelijk houden voor Schade (als gedefinieerd in artikel 6.2 van deze Vaststellingsovereenkomst) immateriële of materiële schade of kosten van Partijen met betrekking tot, samenhangend met of veroorzaakt door de Gezamenlijke Belangen, de Geschillen, de Administratie, de Ontvlechting of deze Vaststellingsovereenkomst tenzij nadrukkelijk anders is bepaald in deze Vaststellingsovereenkomst. Partijen zullen onder geen beding andere gerechtelijke procedures of bestuurlijke maatregelen tegen elkaar, Adviseurs en Werknemers aanspannen. 5.3 Het bepaalde in dit Artikel geldt niet indien een Partij nalaat om verplichtingen uit hoofde van deze Vaststellingsovereenkomst of de Ontvlechting na te komen. In dat geval mogen de andere Partijen de Partij die in verzuim is, aansprakelijk stellen voor het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van deze Vaststellingsovereenkomst of de Ontvlechting. (...) 6.1 [broer 1] , [broer 2] en [woonplaats 2] vrijwaren hierbij de Adviseurs en [eiser] , als Gevolmachtigde en bestuurder van de [naam 3] Entiteiten (tezamen de “Gevrijwaarde Personen” en ieder van hen afzonderlijk “Gevrijwaarde Persoon”) voor alle aanspraken en vorderingen in de breedste zin van het woord – zowel civielrechtelijk als tuchtrechtelijk of anderszins – in en/of buiten rechte, met betrekking tot, samenhangend met, of veroorzaakt door het aangaan van deze Vaststellingsovereenkomst of de uitvoering van de Ontvlechting (de “Schade”). [eiser] is gevrijwaard als directeur van [bedrijfsnaam] Beheer en andere vennootschappen gelieerd aan Partijen, zoals blijkt uit de Bijlage V. Indien deze vrijwaring en het bepaalde in deze bepaling anders kan worden geïnterpreteerd, is te allen tijde de bepaling die de meest ruime bescherming aan [eiser] biedt van toepassing. (...) 8.9 Alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige Vaststellingsovereenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht overeenkomstig het Arbitragereglement van het Nederlands Arbitrage Instituut, door drie, door het instituut te benoemen arbiters.” 2.7. Op 25 oktober 2023 heeft [eiser] in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van de partijen namens deze partijen een aanvullende vaststellingsovereenkomst gesloten. Informatieverstrekking na VSO 2.8. In de periode na het sluiten van de VSO heeft [eiser] de broers in per e-mail verzonden rapportages geïnformeerd over de voortgang van de ontvlechting. Hierbij heeft [eiser] toegelicht dat de doelen van het stappenplan niet in alle gevallen zijn behaald. 2.9. In januari 2023 heeft [eiser] de broers erover geïnformeerd dat [naam 1] (op persoonlijke titel) is aangesteld voor de coördinatie en uitvoering van de ontvlechting van de gezamenlijke belangen. 2.10. Naar aanleiding van de rapportages van [eiser] (en [naam 1] ) heeft [woonplaats 2] [eiser] meerdere keren verzocht om (extra) informatie te verstrekken. Enquêteprocedure en eerdere beslagverzoeken 2.11. Op 14 augustus 2024 heeft [woonplaats 2] bij de ondernemingskamer een enquêteverzoek (in de zin van artikel 2:345 BW) ingediend tegen [eiseres] . Bij uitspraak van 17 december 2024 is [woonplaats 2] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard. 2.12. Bij verzoekschriften van 11 juni 2024 heeft [woonplaats 2] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om bewijsbeslag te mogen leggen ten laste van [eiser] en [eiseres] . In deze verzoeken heeft [woonplaats 2] zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat hij bij de ontvlechting wordt benadeeld ten opzichte van [broer 2] en [broer 1] en dat hij te weinig informatie krijgt. Bij beschikkingen van 21 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter deze verloven (deels) verleend. In de beschikkingen staat vermeld dat [woonplaats 2] naar aanleiding van door de voorzieningenrechter gestelde vragen herziene versies van de verzoekschriften heeft ingediend. [woonplaats 2] heeft van deze beslagverloven geen gebruik gemaakt. Beslagverloven 4 oktober 2024 2.13. Bij verzoekschriften van 17 september 2024 heeft [woonplaats 2] de voorzieningenrechter opnieuw verzocht om bewijsbeslag te mogen leggen ten laste van [eiser] en [eiseres] . Bij deze nieuwe verzoeken heeft [woonplaats 2] toegelicht dat hij van de eerste verloven geen gebruik heeft gemaakt en dat hij in verband met ontwikkelingen uitbreiding van de reeds verkregen verloven wenst. 2.14. Aan het verzoek gericht tegen [eiser] heeft [woonplaats 2] ten grondslag gelegd dat [eiser] tekortgeschoten is in zijn verplichtingen uit de VSO en de ontvlechting en dat hij belang heeft bij inzage in bepaalde bescheiden die betrekking hebben op de rol van [eiser] . Het verzoek omvat mede beslag onder derden en betreft meerdere beslaglocaties, waaronder het woonadres van [eiser] . 2.15. Bij beschikking van 4 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan [woonplaats 2] verlof verleend om conservatoir bewijsbeslag te leggen ten laste van [eiser] op de in het verzoekschrift vermelde locaties en deels onder derden. Hierbij is verlof verleend om beslag te leggen op de in randnummer 148 van het verzoek vermelde correspondentie en bescheiden, waaronder e-mailadressen maar enkel aan de hand van de zoektermen vermeld in randnummer 157 van het verzoekschrift. Verder is DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris) aangewezen als gerechtelijk bewaarder. In de beschikking wordt verwezen naar het eerder op 21 juni 2024 verleende verlof. 2.16. Aan het verzoek gericht tegen [eiseres] heeft [woonplaats 2] ten grondslag gelegd dat hij een civielrechtelijke actie tegen [eiseres] wenst te ondernemen in verband met het bevorderen of uitlokken van een tekortkoming in de nakoming van verplichtingen uit hoofde van de VSO en de ontvlechting en dat hij zijn opties tot verhaal van zijn schade wenst te onderzoeken. [woonplaats 2] baseert zijn vordering onder meer op de door hem gestelde niet-nakoming van de afspraak om [hotelpand] te verkopen volgens de overeengekomen kaders en het gebrek aan informatie dat hij daarover heeft ontvangen. Hierbij heeft [woonplaats 2] verzocht om beslag te mogen leggen op meerdere locaties, waaronder het woonadres van [eiser] . 2.17. Bij beschikking van 4 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter gelijktijdig met het hiervoor vermelde verlof [woonplaats 2] verlof verleend voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van [eiseres] op de in randnummer 144 van het verzoek vermelde bescheiden, waaronder e-mailadressen van [eiser] en [naam 2] , maar enkel aan de hand van de 218 in randnummer 154 van het verzoek vermelde zoektermen. In de beschikking is bepaald dat beslag mag worden gelegd op de adressen van [eiseres] en voor zover nodig onder [eiser] en [naam 2] . Ook in deze beschikking is DigiJuris aangewezen als gerechtelijk bewaarder. Ingebrekestellingen en informatieverstrekking 2.18. Bij brieven van 17 oktober 2024 heeft (de advocaat van) [woonplaats 2] [eiser] en [eiseres] in gebreke gesteld voor de nakoming van de VSO. Verder heeft [woonplaats 2] [eiser] gesommeerd om bepaalde informatie te verschaffen. 2.19. Bij brieven van 13 januari 2025 heeft (de advocaat van) [woonplaats 2] een nadere ingebrekestelling verzonden aan [eiser] en [eiseres] en een herhaald en aangevuld verzoek gedaan tot het verstrekken van informatie. 2.20. Bij brief van 23 januari 2025 heeft [eiser] , dan wel [eiseres] , enige aanvullende informatie verstrekt aan (onder anderen) [woonplaats 2] . Beslaglegging 2.21. Op 4 februari 2025 heeft [woonplaats 2] bewijsbeslag doen leggen onder [eiser] en [eiseres] . De in beslag genomen bescheiden zijn in bewaring gegeven aan DigiJuris. De beslaglegging in beide zaken heeft plaatsgevonden tussen 07:00 uur en 11:45 uur op het woonadres van [eiser] , in aanwezigheid van [eiser] en zijn gezin. Daarnaast is het beslag ten laste van [eiseres] mede gelegd op het woonadres van [naam 2] , in aanwezigheid van [naam 2] en zijn gezin. Eis in de hoofdzaak, hoofdzaak 2.22. In beide verloven is de termijn voor het instellen van een eis in de hoofzaak bepaald op veertien dagen na de (eerste) beslaglegging. Bij beschikking van 12 februari 2025 is die termijn vervolgens op verzoek van [woonplaats 2] met veertien dagen verlengd. 2.23. Op 3 maart 2025 heeft [woonplaats 2] een arbitraal kort geding aanhangig gemaakt tegen [eiser] en [eiseres] . In deze procedure heeft [woonplaats 2] inzage gevorderd in de in beslag genomen bescheiden. Tijdens de procedure heeft [woonplaats 2] zijn eis verminderd onder meer voor wat betreft de zoektermen. In reconventie hebben [eiser] en [eiseres] , kort gezegd, opheffing van de beslagen gevorderd. 2.24. De mondelinge behandeling van het arbitraal kort geding heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. De beslissing is aangehouden tot uiteindelijk 31 mei 2025 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te bereiken. 2.25. Eind mei 2025 heeft [woonplaats 2] vonnis gevraagd in het arbitraal kort geding. 3Het geschil 3.1. In de zaak met nummer 25-323 vordert [eiser] – samengevat: 1) Voor zover de beslagen niet zijn vervallen, het door [woonplaats 2] gelegde bewijsbeslag volledig op te heffen, althans in ieder geval voor wat betreft:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.