← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:11381

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-1769 Zaaknummer: C/09/662786 Datum beschikking: 11 april 2025 Bevoegd is de rechter van de woonplaats in Nederland of, bij gebreke daarvan, van het werkelijk Verblijf van de minderjarige - 265 Rv. Gerechtelijke vaststelling vaderschap Beschikking op het op 5 maart 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] , verzoekster, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. M. Krijger te Middelburg. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.M.M. Minkels te Tilburg. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - het verweerschrift, met bijlagen; - het F9-bericht van 22 maart 2024, met bijlage, van verzoekster; - het F9-bericht van 3 maart 2025, met bijlagen, van verzoekster. Op 7 maart 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Verzoek en verweer Het verzoekschrift, na aanvulling, strekt tot: gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over verzoekster; te bepalen dat de kosten verbonden aan een eventueel in opdracht van de rechtbank te verrichten DNA-onderzoek voor rekening van de man komen, veroordeling van de man in de kosten van deze procedure indien zijn vaderschap wordt vastgesteld; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover van belang – wordt besproken. Feiten - Verzoekster is op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats 1] geboren uit [de moeder] (hierna te noemen: de moeder). - Verzoekster is niet erkend. In de Basisregistratie Personen wordt alleen de moeder als ouder van verzoekster vermeld. Beoordeling Op grond van artikel 1:207, eerste lid, onderdeel b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, op verzoek van het kind, het ouderschap van een persoon, op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank worden vastgesteld. Uit het tweede lid, onderdeel a van genoemd artikel volgt dat gerechtelijke vaststelling van het ouderschap niet kan geschieden, indien het kind twee ouders heeft. De rechtbank overweegt dat artikel 1:207 BW voor het kind géén termijn heeft verbonden aan een verzoek tot vaststelling van het ouderschap. Het kind heeft hiertoe dan ook een in tijd onbeperkte mogelijkheid. In geschil is of de man de verwekker van verzoekster is. Verzoekster stelt dat de man haar biologische vader is en voert hiertoe het volgende aan. De moeder en de man hebben vroeger een relatie gehad waaruit verzoekster is geboren. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster een door de moeder opgestelde verklaring overgelegd, waarin het ontstaan en het verloop van de relatie wordt beschreven. Hieruit volgt dat de man uit het leven van de moeder zou zijn vertrokken op het moment dat zij tegen hem zou hebben gezegd dat ze zwanger van hem was. Tien jaar geleden zou de man via Facebook messenger contact hebben opgenomen met de moeder om navraag te doen naar zijn dochter (verzoekster). Op de zitting heeft verzoekster nog verklaard dat zij zelf enige tijd geleden ook via Facebook messenger contact heeft gezocht met de man. De man heeft toen gereageerd op vragen van verzoekster en erkend dat hij haar vader is. Ook heeft de man toen de namen van zijn kinderen (twee dochters en een zoon) – geboren tijdens zijn huwelijk – doorgegeven. Verzoekster heeft daarop contact gehad met één dochter van de man. Gelet op wat zij en de moeder haar hebben verteld, heeft verzoekster geen reden om eraan te twijfelen dat de man haar verwekker is. Verzoekster stelt dat zij een fundamenteel recht heeft om te weten van wie ze afstamt, dus als de man betwist dat hij haar verwekker is zal een DNA-onderzoek daarover uitsluitsel moeten geven. De man betwist dat hij de biologische vader is. De man weet wel wie de moeder is, maar volgens hem is er tussen hen geen sprake geweest van een relatie, laat staan dat hij intiem is geweest met de moeder. De man wil niet meewerken aan een DNA onderzoek, omdat dat een inbreuk is op zijn lichamelijke integriteit. De man vindt DNA-afname daarnaast te belastend en dit kan – gelet op zijn leeftijd – ook niet van hem worden gevergd. De man heeft op de zitting verklaard dat datgene wat hij via Facebook messenger aan verzoekster heeft gezegd over onderhavige kwestie, niet serieus was en dat hij, in zijn eigen woorden, gewoon maar ‘meespeelde’ met verzoekster dat hij haar vader was. Uit vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld Hoge Raad 11 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:349), volgt dat het recht op informatie over de eigen (biologische) afstamming een fundamenteel recht is dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, onder meer door artikel 8 van het EVRM, als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven. De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt over het algemeen toe naarmate een persoon ouder wordt. Tegenover het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, staat het recht van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden, en het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Die rechten zijn ook fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door artikel 8 EVRM. Indien het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, botst met het recht van de mogelijke ouder om dat verborgen te houden dan wel niet mee te werken aan een DNA-test, moet volgens de rechtspraak van het EHRM door middel van een belangenafweging worden vastgesteld welk van deze rechten prevaleert, waarbij aan de lidstaten een margin of appreciation toekomt. Over de onderlinge rangorde tussen enerzijds het recht van een meerderjarig kind om te weten door wie het is verwekt en anderzijds het recht van de moeder om zulks ook tegenover haar kind verborgen te houden, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 april 1994 geoordeeld dat het recht van het kind prevaleert. In dat arrest is overwogen dat deze voorrang, behalve door het vitale belang van dit recht voor het kind, wordt gewettigd doordat de moeder in de regel mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van dat kind. Deze overweging geldt ook in de verhouding tussen een kind en een persoon van wie aannemelijk is dat hij de biologische vader van het kind kan zijn. Daarom heeft ook in die verhouding te gelden dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. De – relatief geringe – inbreuk van een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van de vermoedelijke biologische vader wordt in een zodanig geval gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is. Omdat het recht van verzoekster om te weten van wie ze afstamt in beginsel voorrang heeft op het recht van de man op bescherming van zijn zal duidelijkheid moeten ontstaan over het eventuele verwekkerschap van de man. De rechtbank acht als bewijs hiervoor een DNA-onderzoek het meest gerede middel en zij zal derhalve een dergelijk onderzoek bevelen. Omdat verzoekster 284 lid 4 jo 195 Rv: Er wordt geen voorschot opgelegd aan de partij aan wie een toevoeging is verleend of aan wie het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld. OVERWEGING: “Nu aan de .... een toevoeging is verleend (of m.m.: het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld), zal ... terzake van het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd.” En hieronder ex art. 199 lid 3 Rv in DICTUM bepalen i.p.v. de bepaling tot betaling van het voorschot: In debetstelling van dat voorschot. degene is op wie de bewijslast rust, behoren de kosten van het onderzoek voorshands door haar te worden gedragen. De rechtbank zal – omdat van de man zijn medewerking wordt verwacht – vooralsnog de behandeling van het verzoek pro forma aanhouden teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen bewijs over te (laten) leggen van het al dan niet bestaan van het verwekkerschap van de man door middel van een rapport van DNA-onderzoek, waaruit in ieder geval tevens blijkt dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek een monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld. Het rapport dient voorts te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Op de zitting heeft de man laten doorschemeren dat hij niet zal meewerken aan een DNA-onderzoek, ook indien dat door de rechtbank wordt bevolen. De rechtbank wijst de man erop dat zij, indien de man inderdaad niet meewerkt aan het DNA-onderzoek, hieruit de conclusies kan trekken die zij geraden acht. Dit kan betekenen dat de rechtbank, gelet op datgene wat hij via Facebook messenger tegen verzoekster heeft gezegd over zijn vaderschap, het vaderschap van de man vaststelt zonder dat er een DNA-onderzoek is gedaan. Met zijn mededelingen via Facebook messenger heeft de man immers bij verzoekster op zijn minst de indruk gewekt dat hij haar biologische vader is. Als hij vervolgens niet wenst mee te werken aan een DNA-onderzoek, dan kan dat naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn voordeel worden uitgelegd. Beslissing De rechtbank: beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van: 1. verzoekster: [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats 1] , 2. de man: [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1958 te [geboorteplaats 2] , Suriname, en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man; Voorschot door verzoekster als degene op wie bewijslast rust, tenzij zij een toevoeging heeft. Zie verder onder dictum voor alternatief in geval van toevoeging. benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden: een deskundige verbonden aan [bedrijfsnaam] B.V., [adres] , [postcode] [plaats] (telefoonnummer [telefoonnummer] ); beveelt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met [bedrijfsnaam] ; Voorschot door verzoekster als degene op wie bewijslast rust, tenzij zij een toevoeging heeft. Zie verder onder dictum voor alternatief in geval van toevoeging. bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat verzoekster een voorschot ter grootte van € 695,- heeft gedeponeerd – zulks als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek – en de griffier de deskundige van de ontvangst daarvan op de hoogte heeft gesteld; ter voldoening van het genoemde voorschot zal verzoekster een factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR); verzoekster dient het factuurbedrag binnen drie weken na ontvangst van deze factuur te voldoen; bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek uiterlijk op 15 juni 2025 vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag; bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt; 223 lid 2 Rv: Er wordt geen voorschot opgelegd aan de partij aan wie een toevoeging is verleend of aan wie het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld. OVERWEGING: “Nu aan de ... een toevoeging is verleend (m.m.: het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld), zal ... terzake van het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd.” En hieronder ex art. 225 lid 3 Rv in DICTUM het volgende bepalen - voor de betreffende partij of voor beide pp (het laatste i.p.v. de bepaling tot betaling van het voorschot) -: bepaalt dat indien de man aan het hierbij bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan; houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de vaststelling van het vaderschap, de proceskosten en van de kosten van het deskundigenonderzoek pro forma aan tot 1 juli 2025. Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan doormr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.