Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 24-215 Zaaknummer: C/09/665176 Datum beschikking: 17 april 2025 Beschikking op het op 23 april 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende te Suriname, advocaat: mr. J. Singh te Hoofddorp. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. M.L.K. Law. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen; de brief van 3 september 2024, met bijlagen, van de IND; de brief van 24 oktober 2024 van verzoeker; de brief van 20 november 2024 van de IND. Op 20 maart 2025 is de zaak op een zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader van verzoeker ( [naam 1] ), hierna “de vader” en mr. M.L.K. Law namens de IND. Verzoeker zelf en de advocaat van verzoeker zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – zonder bericht niet op de zitting verschenen. Verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt tot: primair: vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker; subsidiair: vaststelling wanneer verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verloren; een en ander met veroordeling van de IND in de proceskosten. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Feiten Verzoeker is op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , Suriname geboren uit mevrouw [naam 2] (hierna: de moeder). Ten tijde van de geboorte van verzoeker was de moeder ongehuwd. Verzoeker heeft de Surinaamse nationaliteit en beschikt over een Surinaams paspoort. Op 26 maart 2010 heeft de vader de Nederlandse nationaliteit verkregen. Verzoeker is op 8 januari 2013 bij de ambtenaar van de burgerlijke stand in [plaats] , Suriname, erkend door de vader. Verzoeker was toen 9 jaar oud. Uit een op 23 augustus 2022 door [bedrijfsnaam] verricht verwantschapsonderzoek volgt dat het praktisch bewezen is (99,99% waarschijnlijkheid) dat de vader de biologische vader van verzoeker is. Deze uitkomst is neergelegd in een DNA rapport gedateerd 24 augustus 2022. Op 1 februari 2024 is namens verzoeker een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend, met overlegging van voormeld [bedrijfsnaam] DNA rapport. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 20 februari 2024 van de Consulaire Service Organisatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. De rechtbank kan niet het Nederlanderschap verlenen. In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe onder meer aan dat hij is geboren uit een vader met de Nederlandse nationaliteit die hem bovendien heeft erkend. Op grond van artikel 3, eerste lid RWN is verzoeker daarom – als gevolg van de erkenning, met terugwerkende kracht vanaf zijn geboorte – ook Nederlander. De rechtbank volgt deze redenering niet. Artikel 3 lid 1 RWN ziet op de situatie dat de ouder ten tijde van de geboorte van het kind reeds de Nederlandse nationaliteit bezat, en daarvan is hier geen sprake. Anders dan in het verzoekschrift is aangevoerd, blijkt uit de door de IND overgelegde stukken dat de vader pas sinds 2010 de Nederlandse nationaliteit heeft. Verzoeker was toen 9 jaar zodat hij niet via zijn vader al vanaf zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit kán hebben verkregen. Als een kind erkend wordt door een Nederlander, kan deze onder omstandigheden daardoor de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Die omstandigheden zijn wettelijk geregeld in artikel 4 RWN. Verzoeker stelt in zijn reactie op het verweerschrift dat in zijn geval het Nederlanderschap kan worden ontleend aan artikel 4, vierde lid RWN. Op grond van artikel 4 lid 4 RWN wordt ook Nederlander: de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont. Deze één jaarstermijn is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting op artikel 4 , lid 4 RWN, in de wet opgenomen in het kader van de rechtszekerheid:“(...) In gevallen van erkenning van kinderen van zeven jaar en ouder is het niet onredelijk van de Nederlandse vader die aan die erkenning een nationaliteitsrechtelijk gevolg wil geven, te vergen dat hij aantoont dat zijn erkenning geen schijnerkenning is. Hij doet dat door zijn biologische relatie met het kind aan te tonen door het overleggen van een betrouwbare DNA-test. Omdat het Nederlanderschap van het kind dat zeven jaar of ouder is, van rechtswege verkregen wordt op het tijdstip van de erkenning, indien de erkenner aantoont de biologische vader te zijn, zal het bewijs van het verwekkerschap kort na de erkenning geleverd moeten worden teneinde de periode van onzekerheid over de verkrijging van korte duur te laten zijn (..)“ (Kamerstukken II 2005-2006, 30584 (R 1811), nr. 3, p.7). Genoemde één jaarstermijn is een wettelijk vereiste waarvan niet kan worden afgeweken. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:570 reeds uitgebreid gemotiveerd dat dit vereiste niet strijdig is met de artikelen 8 en 14 van het EVRM dan wel artikel 6 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (EVN) en beginsel 11 van Aanbeveling CM/Rec
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.