Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 24-513 Zaaknummer: C/09/672507 Datum beschikking: 17 april 2025 Beschikking op het op 13 september 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] , verzoekster, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. J. Singh te Hoofddorp. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. drs. [naam 5] . Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 6 november 2024, met bijlage, van de IND. Op 20 maart 2025 is de zaak op een zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat, en mr. drs. [naam 5] namens de IND. Verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster, een en ander met veroordeling van de IND in de proceskosten. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Op de zitting heeft de IND daarnaast verzocht om verzoekster te veroordelen in de proceskosten. Feiten Verzoekster is op [geboortedatum 1] 1984 te [geboorteplaats] , Suriname, geboren uit een Surinaamse moeder ( [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1954, hierna: de moeder). Uit een DNA test rapport van 30 juli 2024 van DDC volgt dat [naam 2] een zus (hierna: de zus) van verzoekster is. Uit een uittreksel van de Basisregistratie Personen van de gemeente [plaats] volgt dat [naam 3] (hierna: [naam 3] ) de vader van de zus is, en dat verzoekster en de zus dezelfde moeder hebben. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. De rechtbank kan niet het Nederlanderschap verlenen. In geschil is of verzoekster in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster stelt dat dit het geval is en voert daartoe – samengevat – aan dat [naam 3] (die volgens verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft) haar biologische vader is. Op grond van artikel 3, lid 1 RWN heeft verzoekster daarom ook de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt voorop dat in het nationaliteitsrecht rechtsfeiten worden beoordeeld volgens het recht dat gold op het moment dat dit rechtsfeit zich voordeed. Op het moment dat verzoekster werd geboren gold ten aanzien van het nationaliteitsrecht de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI). Verzoekster beroept zich op de RWN, maar deze wet gold ten tijde van de geboorte van verzoekster nog niet (de RWN is op 1 januari 1985 in werking getreden), zodat verzoekster hierop geen beroep kan doen. De rechtbank zal het verzoek ambtshalve beoordelen op grond van de WNI. Volgens artikel 1 van de WNI zijn Nederlanders door geboorte: het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader den staat van Nederlander bezit; het wettig kind van een Nederlander die binnen driehonderd dagen vóór de geboorte van het kind overleed; het niet-erkend onwettig kind, waarvan tijdens de geboorte de moeder den staat van Nederlander bezit; het niet-erkend onwettig kind, in het Koninkrijk geboren, tenzij blijkt, dat het de nationaliteit van een andere Staat bezit. Op grond van de stukken en op grond van wat op de zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat verzoekster een Surinaamse moeder heeft en een juridische (stief)vader met de Surinaamse nationaliteit, te weten de inmiddels overleden [naam 4] (hierna: [naam 4] ) die verzoekster heeft erkend ten tijde van zijn huwelijk met de moeder in [maand]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.