← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:11468

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26044 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [geboortedatum] van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [v-nummer:], (gemachtigde: mr. S. Faber), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg). Inleiding

  1. De minister heeft op 2 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.
  2. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. 1.
  3. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank
  5. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 mei 2025 (in de zaak NL25.21710) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 mei 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
  6. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Beroepsgrond van eiser
  7. Eiser betoogt dat voortduring van de maatregel onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser dat er geen sprake is van zicht op uitzetting. Volgens eiser heeft de consul van Algerije namelijk aangegeven dat zij geen lp voor eiser zullen afgeven. Oordeel van de rechtbank 4.
  8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Dat de consul zou hebben gezegd dat geen lp zal worden afgegeven, vormt op zichzelf onvoldoende grond om te concluderen dat geen zicht op uitzetting meer bestaat. Bovendien heeft de minister op de zitting toegelicht dat op 17 juni 2025 bericht is ontvangen dat een transportpresentatie bekend is geworden en dat voor 8 juli 2025 een presentatie gepland staat bij de Algerijnse ambassade, wat juist wijst op medewerking van de zijde van de Algerijnse autoriteiten. 4.
  9. Daarbij komt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt met zich mee dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. Tijdens het laatste vertrekgesprek van 4 juni 2025 heeft eiser namelijk aangegeven geen acties te hebben ondernomen om zijn identiteitsdocumenten te regelen. Ook om deze reden bestaat op dit moment al voldoende zicht op uitzetting. 4.
  10. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en wat op de zitting is besproken, blijkt dat de minister op 12 juni 2025 heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag bij Algerije en dat op 4 juni 2025 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Daarnaast is na het bericht van 17 juni 2025 over de transportpresentatie voor 8 juli 2025 een presentatie aangevraagd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend. 4.
  11. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt en gepubliceerd op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet
  14. Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 28 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:
  15. Laissez-passer Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, en 15 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  16. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.