RECHTBANK DEN HAAG Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag CB/c Zaaknummer: 11616388 / RL EXPL 25-5637 Vonnis in kort geding van 27 juni 2025 in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E. de Jongh (FDJ Advocaten), tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] (BRD), gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigden: mrs. A.G.A. van Rappard en N.A.G. Lelieveld (Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn). 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 mei 2025 met negen producties (nrs. 1 tot en met 9);- de conclusie van antwoord, binnengekomen bij de griffie op 23 juni 2025; - de e-mail van de gemachtigde van [eiser] van 23 juni 2025 met een aanvullende productie (nr. 10). 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Daarbij waren beide partijen in persoon aanwezig samen met hun gemachtigden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiser] pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen verder besproken is heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt die zich in het griffiedossier bevinden. 1.3. Na de mondelinge behandeling is vonnis bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is eigenaar van het appartement aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Zij heeft de woning eerder verhuurd aan derden en laat zich bij de verhuur bijstaan door V&W Makerlaars [plaats] (hierna: de makelaar). 2.2. [eiser] is woonachtig in [woonplaats 1] , maar heeft een full-time baan in Den Haag. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (I.) [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van alle verplichtingen uit de huurovereenkomst overeenkomstig de door de makelaar op 20 februari 2025 toegezonden (concept) huurovereenkomst en algemene bepalingen; (II.) [gedaagde] [te veroordelen] binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan [eiser] vrije en onbelemmerde toegang tot het gehuurde aan de [adres] te [plaats] te verschaffen; (III.) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- per dag (een gedeelte van een dag voor een hele gerekend), voor iedere dag dat zij geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan de vorderingen sub I en/of sub II; (IV) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de proceskosten en € 131,- aan nasalaris ingeval van niet-betekening van het vonnis en € 199,- ingeval van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskostenveroordeling, indien niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden. 3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat tussen hem en [gedaagde] een huurovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] hem het huurgenot van de woning moet verschaffen. 3.3. [gedaagde] voert verweer en voert daartoe aan dat nog geen huurovereenkomst tot stand is gekomen, omdat nog niet over alle belangrijke elementen van de huurovereenkomst overeenstemming was bereikt, ofwel dat nog geen huurovereenkomst tot stand was gekomen, doordat [eiser] nadere voorwaarden heeft gesteld. Daarnaast betwist zij dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. In deze kort geding procedure moet de kantonrechter eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter moet beoordelen of de vorderingen in een nog te voeren bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor nadere bewijslevering. Spoedeisend belang 4.2. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] een spoedeisend belang. Uit de overgelegde aanvullende productie 10 blijkt dat [eiser] de huurovereenkomst voor zijn woning in [woonplaats 1] omstreeks 18 februari 2025 heeft opgezegd. Weliswaar blijkt uit de productie ook dat [eiser] samen met een medehuurder huurder was van die woning in [woonplaats 1] en dat de verhuurder van die woning alleen akkoord kon gaan met een beëindiging van de huurovereenkomst door beide huurders of een voortzetting van de huur door alleen de andere (mede)huurder. Uit een eveneens overgelegde e-mail van 6 juni 2025 blijkt dat de huurovereenkomst eindigt per 30 juni 2025. 4.3. Voor zover [gedaagde] het argument heeft opgeworpen dat nergens uit blijkt dat de huurovereenkomst van [eiser] per 30 juni 2025 eindigt, blijkt uit de e-mail van 6 juni 2025 in ieder geval dat dat wel zo is. Voor zover [gedaagde] naar voren heeft gebracht dat [eiser] en/of zijn gemachtigde in strijd met de waarheid zouden hebben verklaard, dat [eiser] eind februari 2025 wist dat de verhuurder de opzegging niet accepteerde en hij dus toen niet kon verklaren dat hij zijn woning in [woonplaats 1] zou moeten verlaten, passeert de kantonrechter ook die stelling. Weliswaar blijkt dat [eiser] zijn huurovereenkomst in februari 2025 niet zonder meer kon opzeggen, maar hoe dan ook blijkt dat hij dat van zijn kant wel wilde. Dat hij een medehuurder had, die in de opzegging ook een rol speelt, mag zo zijn, maar dat is nu eenmaal een gevolg van het feit dat hij een medehuurder had. Indien een huurovereenkomst een of meer medehuurders kent, zal er altijd, behalve indien alle medehuurders tegelijkertijd opzeggen, een (mede)huurder zijn die het initiatief tot beëindiging van de huur neemt. Het is dan aan de verhuurder of de overgebleven (mede)huurders om een oplossing voor voortzetting of beëindiging van de huur te vinden. In dit geval is blijkbaar tussen eind februari 2025 en 6 juni 2025 een dergelijke oplossing gevonden. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] aan zichzelf te wijten heeft dat hij na 30 juni geen woonruimte meer heeft wordt daarmee dan ook verworpen. Los van het voorgaande speelt hetgeen zich in de aanloop naar de onderhavige procedure in wezen geen rol bij de beoordeling of sprake is van een spoedeisend belang. Het enkele gegeven dat [eiser] vanaf 1 juli 2025 geen woonruimte meer geeft, maakt dat hij een spoedeisend belang heeft. Inhoudelijke beoordeling 4.4. Ontdaan van alle argumenten over en weer, waarop de kantonrechter – voor zover relevant – nog zal terugkomen, gaat dit geschil over de vraag of tussen [eiser] en [gedaagde] een huurovereenkomst tot stand is gekomen voor de woning aan de [adres] te [plaats] . 4.5. De kernbepaling voor huur is artikel 7:201 BW, dat luidt: Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Weliswaar volgt daarna in het Burgerlijk Wetboek een Afdeling, die specifiek gaat over huur van woonruimte (Afdeling 5, de artikelen 232 tot en met 282 BW), maar deze artikelen geven geen nader vormvereisten, waaraan een huurovereenkomst moet voldoen. 4.6. Voor de beoordeling van de vraag of tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen is daarom doorslaggevend of partijen overeenstemming hebben bereikt over de kernbedingen van een huurovereenkomst en/of in hoeverre er nog ‘open einden’ waren, die, tezamen genomen, tot de conclusie moeten leiden dat van een voldragen huurovereenkomst (nog) geen sprake was. 4.7. Uit hetgeen in deze procedure naar voren is gekomen blijkt hoe dan ook dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de zaak, die het betreft, namelijk de huur van de woning aan de [adres] te [plaats] , en de tegenprestatie, namelijk een maandelijkse huurprijs van € 1.800,-. Daarnaast hadden partijen ook overeenstemming over de looptijd van de overeenkomst (twee jaar, van 1 maart 2025 tot en met 28 februari 2027) en over de hoogte van de waarborgsom (€ 2.500,-) en wellicht ook nog over andere elementen van de huur. 4.8. Als het al niet zo is dat partijen mondeling al eerder overeenstemming hadden bereikt over deze elementen van de huur, dan blijken die in ieder geval uit de concept-huurovereenkomst, die de makelaar van [gedaagde] op 20 februari 2025 aan [eiser] heeft gestuurd. 4.9. Na het toezenden van de concept-huurovereenkomst door de makelaar aan [eiser] heeft: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.