RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/672782 / HA ZA 24-812 Vonnis van 28 mei 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] te [woonplaats 1] , hierna ook: [eiser 1] ,
- [eiser 2] te [woonplaats 2] , hierna ook: [eiser 2] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat: mr. M.A. Lasschuit, tegen
- [gedaagde 1] , in persoon alsmede in hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder PRO SE ET Q.Q. te [woonplaats 3] , hierna ook: vader, gedaagde in conventie,
- [gedaagde 2] te [woonplaats 3] , hierna ook: [gedaagde 2] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat: mr. W. de Vries. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 18 april 2024 tevens houdende een incidentele vordering, met producties 1 tot en met 24 en beslagstukken; - de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 12; - het tussenvonnis van 27 november 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 25 en 26; - de akte overlegging aanvullende producties van gedaagden in conventie met producties 13 tot en met 19; - de akte overlegging producties van eisers in conventie met producties 27 tot en met
- 1.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart
- Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten verder toegelicht. Mr. De Vries heeft een pleitnota overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken. 1.
- Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
- De feiten 2.
- De familie [familienaam] exploiteert sinds 1941 [jachthaven] te [plaats] (hierna: de jachthaven). 2.
- In januari 2005 hebben vader en zijn wijlen echtgenote (hierna: moeder) de handelsnaam, goodwill, voorraden, inventaris en werktuigen van de destijds door vader geëxploiteerde jachthaven verkocht aan hun oudste zoon [gedaagde 2] , die vanaf 2000 – in verband met of na ziekte van vader – in de jachthaven werkzaam was. De haven, grond en opstallen en de voormalige gezinswoning op de haven zijn vanaf januari 2005 aan [gedaagde 2] verhuurd. 2.
- Daaraan voorafgaand is aan [eiser 1] en [eiser 2] , de zus en broer van [gedaagde 2] , per brief van 15 april 2004 – opgesteld door belastingadviseur mr. H.J.J. Oostdam Fb en mede ondertekend door vader en moeder – het volgende geschreven: “Met deze brief informeren wij u over de voorgenomen bedrijfsopvolging en de voorgenomen overdracht van de onroerende zaken van [jachthaven] . Net als u vinden wij het jammer dat u tot op heden niet met uw vader en moeder op één lijn gekomen bent over de gezamenlijke toekomst en de toekomst van het bedrijf. Dit ondanks alle inspanningen die u en wij daarvoor hebben gedaan. Wij menen dat gezien de fiscale aspecten de voorgenomen handelingen voortgang behoeven. Dat is in het belang van uw vader en moeder en uiteindelijk ook in uw belang. Het uitgangspunt van uw vader en moeder is dat de kinderen ten opzichte van elkaar niet bevoordeeld worden. In het leven heeft het lot bepaald dat [gedaagde 2] op de Jachthaven werkzaam is. Hij mag om die reden de activiteiten overnemen. Daarbij zijn door uw vader en uw moeder de volgende uitgangspunten bepaald: (...) Indien om wat voor reden of op welke wijze dan ook de macht om als eigenaar over de terreinen te beschikken bij één of meer kinderen terecht mocht komen, dan dient de verplichting te gelden dat een later gerealiseerde verkoopwinst wordt verdeeld tussen de kinderen dan wel hun erfgenamen. Er geldt geen eerste recht van koop, behoudens in het geval dat een dergelijke bepaling in normale zakelijke relaties tussen onafhankelijke derden ook zou gelden. Mocht [gedaagde 2] de exploitatie en de verhuur willen beëindigen en [eiser 1] en/of [eiser 2] in die situatie het terrein willen huren dan is de verhuur onder gelijke voorwaarden niet op voorhand uitgesloten. (…) Uw vader en moeder menen met deze invulling zoveel mogelijk recht te doen aan ieders belangen zonder dat ze daar zelf bij onder gesneeuwd raken. Het staat u vrij daar anders over te denken. Wij staan open voor verbetering in de uitwerking, als u suggesties heeft dan vernemen wij die graag. Wij zullen deze serieus overwegen. Het gaat te ver om van uw vader en moeder te verwachten dat ze aan al uw wensen tegemoet komen. Als u daar nadere consequenties aan verbind dan spijt hen dat zeer. (…)” 2.
- Vader en moeder hebben in 2006 een overeenkomst laten opstellen, die op 27 maart 2006 door hen is ondertekend. Daarin is onder meer vermeld dat zij vrij zijn om over te gaan tot verkoop en/of vervreemding van de jachthaven, nadat [gedaagde 2] , [eiser 1] en [eiser 2] over het voornemen daartoe schriftelijk zijn geïnformeerd en zij (schriftelijk of tijdens een bijeenkomst) hun mening daarover kenbaar hebben gemaakt. Bepaald is dat vader en moeder op geen enkele wijze gebonden zijn aan de meningen/verklaringen van de kinderen, die derhalve uitsluitend een raadplegend karakter hebben. De tekst van dit document luidt voor zover van belang als volgt: “De ondertekenden (…) in aanmerking nemende: bij voorgenomen verkoop en/of vervreemding van (...) het registergoed (...) door [ouders] achten partijen het wenselijk dat [ [gedaagde 2] , [eiser 1] en [eiser 2] ] tevoren in de gelegenheid worden gesteld hun meningen ter zake kenbaar te maken; verklaren te zijn overeengekomen als volgt: indien de [ouders] voornemens zijn over te gaan tot verkoop en/of vervreemding van het registergoed, zullen zij de voorwaarden en bedingen, waaronder zij die verkoop en/of vervreemding plaatsvindt, schriftelijk meedelen aan [ [gedaagde 2] , [eiser 1] en [eiser 2] ]. [ [gedaagde 2] , [eiser 1] en [eiser 2] ] worden in de gelegenheid gesteld om binnen een alsdan door [ouders] te stellen termijn hun mening over de voorgenomen verkoop en/of vervreemding schriftelijk kenbaar te maken aan [ouders].
- [ [Ouders] zullen niet tot de voorgenomen verkoop en/of vervreemding overgaan, zolang niet alle verklaringen van [de kinderen] door hen zijn ontvangen, dan wel (…) de (…) termijn nog niet is verstreken.
- [ Na ontvangst van alle hiervoor bedoelde verklaringen dan wel na het verstrijken van de (…) termijn (...) zijn [ouders] vrij om tot de voorgenomen verkoop en/of vervreemding over te gaan. [Ouders] zijn op geen enkele wijze gebonden aan de meningen/verklaringen van [de kinderen] welke meningen/verklaringen derhalve uitsluitend een raadplegend karakter hebben. (…)” 2.
- In oktober 2006 hebben [eiser 1] en [eiser 2] een document genaamd vervreemdingsovereenkomst (hierna: de vervreemdingsovereenkomst) laten opstellen, waarin samengevat is vermeld dat 1) ouders niet tot verkoop/vervreemding van de jachthaven aan één van de kinderen zullen overgaan, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de andere partijen bij de vervreemdingsovereenkomst, en 2) alle kinderen over de voorwaarden van vervreemding/verhuren worden geïnformeerd alvorens daartoe wordt overgegaan, op straffe van een boete. 2.
- Vader en moeder hebben de vervreemdingsovereenkomst niet ondertekend. In een e-mail van 15 oktober 2006, gericht aan [eiser 1] en [eiser 2] , hebben vader en moeder dat als volgt toegelicht: “Wij hebben jullie overeenkomst doorgeworsteld en kunnen hier niet achterstaan. Wij hebben de indruk dat het geen eerlijk stuk is. Het is geen overeenkomst waar Wij mee kunnen leven. We denken ook dat deze overeenkomst meer problemen voor de toekomst oproepen als dat ze oplossen. Dit betekend dat we het dus niet dinsdagmorgen komen tekenen. Wij vinden het jammer dat jullie zo weinig vertrouwen ins ons hebben. Kijk nog maar eens naar de door ons opgestelde overeenkomst.. Daar is niets mis mee. Het is zoals wij het zien en vinden.En zoals Wij het dus ook willen, zie dat nu eens in. Jullie Ouders” 2.
- In april 2014 is het testament van moeder opgemaakt, waarin vader tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder is benoemd. Onder meer is vermeld dat vader 1/100e deel erfgenaam in de nalatenschap wordt en dat hij mag kiezen welke goederen hij in eigendom wil verkrijgen. Hij kan de nalatenschap verdelen, zonder medewerking van de kinderen. De kinderen zijn voor 99/100e deel erfgenaam in de nalatenschap. 2.
- Per e-mail van 8 januari 2019 heeft vader het volgende aan [eiser 1] en [eiser 2] geschreven: “Het heeft nog geen zin om morgen langs te komen want de notaris had weinig tijd ons voor nieuwjaar. Wij kregen wel het advies om het voorlopig aan [gedaagde 2] te blijven verhuren omdat we er toch niet uitkomen. Dat lijkt ons een goed idee, om het zo te doen.. Dus het blijft bij het oude.” 2.
- Per e-mail van 17 februari 2019 heeft moeder het volgende aan [eiser 2] geschreven: “(…) ook wij hebben veel nagedacht over de laatste keer dat jullie bij ons waren.Dit was helemaal niet nodig geweest. we blijven het gewoon verhuren aan [gedaagde 2] en als we er niet meer zijn kunnen jullie het met z’n drieën verdelen!! (…) We kunnen toch moeilijk zeggen tegen [gedaagde 2] Donder nu maar op. Jij bent zelf de schuldige geweest 15 jr. geleden, je wilde niet met [gedaagde 2] Samen werken!! Heel jammer want je kon best goed met hem opschieten. Het is nu eenmaal zo gelopen en dat moet je na al die jaren toch gewoon kunnen accepteren. Je bent hier altijd van harte welkom en als je wilt kunnen wij hier nogmaals over spreken. Grt. Ma” 2.
- Op 16 en 17 september 2019 zijn tussen moeder en [eiser 2] de volgende berichten via Whatsapp uitgewisseld: “16 september 2019, 17:10u: “ [eiser 2] , je vader zal naderen informatie inwinnen wat betreft de verdeling aan jullie drie wat betreft de haven. O.k. ma” 16 september 2019, 22:35u: “Ok. Dank voor de terugkoppeling. Fijn om te horen dat hij informatie gaat inwinnen. Begrijp ik dan nu dat jullie dit omarmen?” 17 september 2019, 08:59u: “Je hoort er wel van.” 2.
- Op 15 november 2023 hebben vader en moeder (het onroerend goed van) de jachthaven aan [gedaagde 2] verkocht voor € 1.020.000,-. In de gesloten koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) is onder meer vermeld: “Verkoper en Koper (…) nemen het volgende in aanmerking: (…) De taxatiewaarde van de jachthaven is vastgesteld in een taxatierapport van MVGM op 12 juni 2023, de taxatiewaarde in (de huidige) verhuurde staat betreft (…) (€ 850.000,00) en de taxatiewaarde in lege en ontruimde staat betreft (…) (€ 1.125.000,00); De koopprijs is vastgelegd aan de hand van voormelde getaxeerde waarde in lege en ontruimde staat van € 1.125.000,- gecorrigeerd in verband met aanpassingen als gevolg van door koper gedane investeringen in het onderhoud van het onroerend goed en de gemaakte overname kosten gedurende de exploitatie vanaf 2005 tot en met 2022 ad € 213.000,-. Hierop worden de ontvangen huurkortingen ad € 108.000,- gecompenseerd. (…) Meerwaardebeding Artikel 15
- a Indien binnen tien jaren na leveringsdatum het verkochte een andere bestemming dan de huidige bestemming heeft 'gekregen' en het door Koper of door een van zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel, hierna te noemen: de vervreemder wordt vervreemd aan derden dan is koper verplicht de meerwaarde, zoals hieronder nader gedefinieerd, te betalen aan Verkoper cq diens rechtverkrijgenden onder algemene titel. (...) Voor zover in de hierboven bedoelde periode van tien jaren na Leveringsdatum de bestemming van het Verkochte of een aanmerkelijk deel daarvan op initiatief van Koper, definitief is gewijzigd in woningbouw geldt bovenstaande regeling ook nog gedurende drie jaren nadat de tienjaarperiode is geëindigd. b. Indien binnen zeven jaren na Leveringsdatum het verkochte zonder dat dit een andere bestemming dan de huidige bestemming heeft 'gekregen', door Koper of door een van zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel, hierna te noemen: de vervreemder, geheel wordt vervreemd aan derden dan is koper verplicht de meerwaarde, zoals hieronder nader gedefinieerd, te betalen aan Verkoper cq diens rechtverkrijgenden onder algemene titel. (…)” 2.
- Op 17 december 2023 is moeder overleden. 2.
- Op 31 januari 2024 hebben vader, [gedaagde 2] , [eiser 1] en [eiser 2] bij de notaris gesproken over de afwikkeling van de nalatenschap van moeder. Tijdens dit gesprek is de verkoop van de jachthaven niet gemeld. [eiser 1] en [eiser 2] zijn daar zelf achter gekomen en hebben dat op 9 maart 2024 telefonisch van [gedaagde 2] bevestigd gekregen. 2.
- In een op 8 maart 2024 gesloten overeenkomst van geldlening tussen vader en [gedaagde 2] is onder meer vermeld dat een bedrag van € 300.000,- als geldlening aan [gedaagde 2] wordt verstrekt op de dag van de overdracht van het onroerend goed en dat een deel van de koopsom schuldig wordt gebleven. 2.
- Op 2 april 2024 hebben [eiser 1] en [eiser 2] een verzoekschrift ingediend voor het leggen van conservatoir beslag op de jachthaven. Met verlof van de voorzieningenrechter is beslag gelegd. De jachthaven is hierdoor tot op heden niet aan [gedaagde 2] geleverd. 2.
- In schriftelijke verklaring van vader van 30 mei 2024 is onder meer vermeld dat vader het onwenselijk vindt dat de eigendom van de jachthaven in meer dan één hand komt en dat [gedaagde 2] , die de jachthaven al heel lang exploiteert, die exploitatie zelfstandig moet kunnen voortzetten. 3Het geschil In het incident 3.
- [eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, vader en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot afgifte van de tussen hen gesloten koopovereenkomst (waarnaar wordt verwezen in de geldleningsovereenkomst van 8 maart 2024), op straffe van een dwangsom. In de hoofdzaak In conventie 3.
- [eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, verklaart voor recht dat vader (pro se et q.q.) toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de door hem aangegane verbintenissen, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2] , door een koopovereenkomst met [gedaagde 2] aan te gaan met betrekking tot het onroerend goed van de Jachthaven; verklaart voor recht dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2] door een koopovereenkomst met vader te sluiten, en de verkoop te bevorderen, aangaande het onroerend goed van de jachthaven; en primair: - vader en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser 1] en [eiser 2] geleden schade in natura middels levering van het onroerend goed van de jachthaven, aan [gedaagde 2] , [eiser 1] en [eiser 2] , zodat zij allen mede-eigenaar worden van het onroerend goed; subsidiair: - vader en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser 1] en [eiser 2] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; alles met hoofdelijke veroordeling van vader en [gedaagde 2] in de proceskosten. 3.
- Aan deze vordering ligt het volgende ten grondslag. Het verkopen van de jachthaven door vader en moeder is in strijd met door hen gedane toezeggingen en gemaakte afspraken, die er in de kern op neerkomen dat het onroerend goed van de jachthaven in de familie zou blijven en dat alle kinderen mede-eigenaar zouden worden, waarbij gelijke behandeling het uitgangspunt was. Bovendien is de jachthaven voor een te lage prijs verkocht, in strijd met het uitgangspunt van gelijke behandeling. [eiser 2] heeft ook op de jachthaven gewerkt (tot zijn 25e levensjaar) en had grote verbondenheid met het familiebedrijf. Ook voor [eiser 1] geldt dat zij grote (emotionele) verbondenheid heeft met de jachthaven, de plek waar zij is opgegroeid. De vordering jegens vader is gebaseerd op wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen. De vordering jegens [gedaagde 2] is gebaseerd op onrechtmatige daad. [gedaagde 2] heeft onrechtmatig jegens [eiser 1] en [eiser 2] gehandeld door van de door zijn ouders gepleegde wanprestatie te profiteren en deze te bevorderen. Vader en [gedaagde 2] dienen de door [eiser 1] en [eiser 2] geleden schade te vergoeden, waarbij zij primair levering van de jachthaven aan alle kinderen vorderen en subsidiair schadevergoeding, nader op te maken bij staat. In reconventie 3.
- [gedaagde 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank [eiser 1] en [eiser 2] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door hem door het gelegde conservatoire beslag geleden schade van € 11.969,81 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten. 3.
- Aan deze vordering ligt ten grondslag dat het conservatoire beslag ten onrechte is gelegd en daarmee onrechtmatig is. Zonder beslag had de jachthaven per 1 mei 2024 geleverd kunnen worden. De als gevolg van het beslag geleden schade bestaat uit financieringskosten (provisie), kosten van het opgestelde taxatierapport en een nieuw taxatierapport voor het verkrijgen van een nieuwe financiering (totaal € 11.969,81). Deze schade moet aan [gedaagde 2] vergoed worden. In conventie en in reconventie 3.
- Partijen hebben verweer gevoerd tegen elkaars vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling In de hoofdzaak In conventie Vorderingen jegens vader 4.
- De eerste vraag die voorligt is of vader jegens [eiser 1] en [eiser 2] wanprestatie heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld door de jachthaven aan [gedaagde 2] te verkopen (in strijd met gedane toezeggingen of afspraken over mede-eigendom van alle kinderen dan wel voor een te lage prijs). Als niet komt vast te staan dat vader wanprestatie heeft gepleegd, stuiten (ook) de vorderingen jegens [gedaagde 2] reeds daarop af. Als wordt geoordeeld dat vader wanprestatie heeft gepleegd, moet vervolgens worden beoordeeld of [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld door van die wanprestatie te profiteren of die te bevorderen. 4.
- [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat: a) de verkoop van de jachthaven in strijd is met gedane toezeggingen en gemaakte afspraken, die er in de kern op neerkomen dat de jachthaven (het onroerend goed) in de familie zou blijven en dat de drie kinderen mede-eigenaar zouden worden, waarbij gelijke behandeling uitgangspunt was. Zij verwijzen daartoe naar producties 8 tot en met 12 bij de dagvaarding (hiervoor vermeld onder 2.3, 2.4, 2.5, 2.8 en 2.9); b) door de jachthaven voor een veel te lage prijs aan [gedaagde 2] te verkopen, [eiser 1] en [eiser 2] ernstig worden benadeeld. Die benadeling is in strijd met gemaakte afspraken om de kinderen gelijk te behandelen. Vader heeft de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] gemotiveerd betwist. 4.
- De rechtbank kan uit de onder 4.2 (a) genoemde stukken niet afleiden dat vader en moeder zich ertoe hebben willen verbinden dat de [eiser 1] en [eiser 2] mede-eigenaar van de jachthaven zouden worden. Uit de onder 2.3 en 2.4 bedoelde stukken kan weliswaar worden afgeleid dat vader en moeder voorafgaand aan een eventuele verkoop van de jachthaven de mening van de kinderen zouden vragen, maar ook blijkt daaruit dat zij daar vervolgens op geen enkele wijze aan gebonden wilden zijn. In de onder 2.6 bedoelde e-mail is nog eens aan [eiser 1] en [eiser 2] bevestigd dat dit is hoe zij het ‘zien, vinden en willen’, met als toevoeging ‘zie dat nu eens in’. Vader en moeder hebben uitdrukkelijk verklaard vrij te willen zijn om te beslissen of en aan wie zij de jachthaven zouden verkopen. Zij hebben dan ook expliciet geweigerd de onder 2.5 bedoelde vervreemdingsovereenkomst (door [eiser 1] en [eiser 2] opgesteld) te ondertekenen, waarin is vermeld dat niet tot verkoop van de jachthaven aan één van de kinderen wordt overgegaan, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de andere kinderen. De onder 2.8 bedoelde e-mail bevat slechts een mededeling van vader en moeder dat zij de intentie hadden het onroerend goed van de jachthaven voorlopig aan [gedaagde 2] te blijven verhuren, omdat men er niet uit kwam. Ook hieruit blijkt niet van een juridisch bindende toezegging of afspraak aan [eiser 1] en [eiser 2] dat de jachthaven niet aan [gedaagde 2] zal worden verkocht. En ook uit de onder 2.9 bedoelde e-mail blijkt niet meer of anders dan hiervoor is vermeld. Ook hieruit blijkt niet dat is toegezegd of afgesproken dat [eiser 1] en [eiser 2] mede-eigenaar van de jachthaven zouden worden. 4.
- Wel blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de onder 4.2 (a) genoemde stukken dat het uitgangspunt altijd is geweest dat de kinderen ten opzichte van elkaar niet bevoordeeld zouden worden. Dat wil zeggen, gelijke behandeling van [gedaagde 2] , [eiser 1] en [eiser 2] in financiële zin. Vader heeft ter zitting desgevraagd ook bevestigd dat gelijke behandeling van de kinderen (in financiële zin) altijd de bedoeling is geweest. 4.
- Ten aanzien van de stelling dat de jachthaven voor een te lage prijs aan [gedaagde 2] is verkocht, in weerwil van de toezegging/afspraak de kinderen gelijk te behandelen, overweegt de rechtbank als volgt. Vader betwist dat de jachthaven voor een te lage prijs aan [gedaagde 2] is verkocht en heeft die betwisting onderbouwd met een taxatierapport van 12 juni 2023, waarin is vermeld dat het object per 26 april 2023 is getaxeerd op een marktwaarde (kosten koper) van € 850.000,- (met als uitgangspunt leeg en ontruimd). Ook wijst hij op het meerwaardebeding dat is opgenomen in artikel 15 van de koopovereenkomst. Namens [eiser 1] en [eiser 2] is voorafgaand aan de zitting, op 14 maart 2025, een taxatierapport van 12 maart 2025 overgelegd, met waardepeildatum 17 december 2023, waarin taxatiewaarden zijn genoemd van € 1.650.000,- (verhuurd) en € 2.875.000,- (marktwaarde kosten koper, vrij en leeg van huur). 4.
- Van de zijde van vader is nog niet schriftelijk gereageerd op het taxatierapport van 12 maart
- Vader wordt in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen. Ook wordt vader verzocht zich uit te laten over de vraag of bij het sluiten van de koop met [gedaagde 2] het uitgangspunt van (financieel) gelijke behandeling van de kinderen in acht is genomen, met name gelet op de koopprijs (€ 1.020.000,-), het onder 2.11 bedoelde meerwaardebeding (en de daarin genoemde perioden) en de wijze van financiering ( [eiser 1] en [eiser 2] hebben over dat laatste gesteld dat een deel van de te lage koopprijs “ook nog wordt gefinancierd middels een achtergestelde lening”). Wanneer sprake is van bevoordeling van [gedaagde 2] , is dat beoogd of is het de bedoeling dat een eventuele bevoordeling met de erfenis zal worden verrekend? En (op welke wijze) is gewaarborgd dat uitvoering wordt gegeven aan de in de onder 2.3 bedoelde brief gedane toezegging, dat wanneer één van de kinderen eigenaar wordt van de jachthaven, de “verplichting dient te gelden dat een later gerealiseerde verkoopwinst wordt verdeeld tussen de kinderen dan wel hun erfgenamen”? Nadat vader zich bij akte over het voorgaande heeft uitgelaten, zullen [eiser 1] en [eiser 2] vervolgens in de gelegenheid worden gesteld op de akte van vader te reageren. 4.
- De rechtbank geeft partijen tot slot nadrukkelijk in overweging om met bijstand van een ervaren en financieel onderlegde mediator (daarbij zou bijvoorbeeld ook gedacht kunnen worden aan prenalatenschapsmediation) te proberen om tot een minnelijke regeling te komen, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen (dus met als uitgangspunt: financieel gelijke behandeling, waarbij [gedaagde 2] enig eigenaar van de jachthaven wordt). Daarbij kunnen partijen ook afspraken maken over opheffing van het beslag. Het komt de rechtbank voor dat partijen op die wijze hun geschil sneller, goedkoper en meer op maat gesneden kunnen beëindigen en dat toekomstige procedures op deze wijze mogelijk kunnen worden voorkomen. Indien partijen hier (na onderling overleg) voor kiezen, dan kunnen zij dit op de onder 5.1 genoemde roldatum meedelen en kunnen zij de rechtbank vragen om aanhouding van de procedure in afwachting van de uitkomst van dat traject. In conventie en in reconventie 4.
- Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. In het incident 4.
- Iedere beslissing zal worden aangehouden. 5De beslissing De rechtbank in de hoofdzaak in conventie 5.
- verwijst de zaak naar de rol van 25 juni 2025 voor akte uitlating vader, als bedoeld onder 4.6 dan wel voor akte uitlating partijen, als bedoeld onder 4.7; in de hoofdzaak in conventie en in reconventie en in het incident 5.
- houdt iedere (verdere) beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op 28 mei
- 1769