← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:11862

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.27309 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kanters). Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 24 juni 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar Polen. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Poolse nationaliteit te hebben.
  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
  3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte grond vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
  4. Eiser betwist zware grond 3c.
  5. De rechtbank stelt vast dat eiser zware gronden 3a, 3b en 3i en lichte grond 4c niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel reeds dragen. Wat eiser aanvoert tegen zware grond 3c behoeft daarom geen bespreking.
  6. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser heeft bestendig verblijf in Polen, maar dit heeft hij door de inbewaringstelling niet kunnen aantonen. Ook probeerde eiser zich voor zijn inbewaringstelling in te schrijven in een Nederlandse gemeente. Daarnaast verblijft eisers dochter in Nederland in een pleeggezin en is het moeilijk om vanuit Polen het contact met haar te herstellen. Tot slot heeft eiser in Nederland een strafprocedure lopen en had hij bij de rechtszitting aanwezig willen zijn.
  7. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel volgt immers een risico op onttrekking aan het toezicht. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser in 2025 al twee keer is uitgezet naar Polen, te kennen heeft gegeven niet te willen vertrekken uit Nederland, niet heeft onderbouwd dat hij een bestaan heeft opgebouwd in Polen, en in Nederland meermaals in aanraking is geweest met politie. Ook heeft verweerder betrokken dat eiser een dochter heeft in Nederland, maar daarbij heeft verweerder terecht gewezen op de verklaringen van eiser dat hij geen ouderlijk gezag heeft en ook geen contact met zijn dochter. Verweerder heeft in die omstandigheid dan ook geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Tot slot had eiser vanuit Polen toestemming kunnen vragen om zijn strafzaak bij te wonen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
  8. De rechtbank ziet ook met inachtneming van de ambtshalve toets geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
  9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  11. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.