← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:11945

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.27873 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. F. Boone), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H. Toonders). Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 28 juni 2025 de maatregel van bewaring opgeheven. Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 27 juni 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 1 juli 2025 een reactie op de gronden ingediend. De rechtbank heeft op 2 juli 2025 het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1970 en de Portugese nationaliteit te hebben. Juridisch kader
  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Strafrechtelijk voortraject
  3. Eiser voert aan dat het tijdstip van de strafrechtelijke heenzending niet kan worden gecontroleerd, omdat het proces-verbaal over het strafrechtelijk voortraject in het dossier ontbreekt. Ook kan niet worden getoetst waarom eiser om zijn identiteitsbewijs is gevraagd door de verbalisanten. Dit komt voor rekening en risico van verweerder.
  4. Uit het door verweerder aan het dossier toegevoegde proces-verbaal van de strafrechtelijke aanhouding en de strafrechtelijke contextinformatie blijkt dat eiser strafrechtelijk is aangehouden in verband met een winkeldiefstal. Om die reden is aan eiser gevraagd om zich te legitimeren. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ligt de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject niet bij de bewaringsrechter ter beoordeling voor. Verder blijkt uit het dossier dat eiser aansluitend aan de strafrechtelijke heenzending is overgenomen en opgehouden op 20 juni 2025 om 8:10 uur. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. Maatregel van bewaring
  5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking aan het toezicht daarmee is gegeven. Lichter middel
  7. Eiser voert verder aan dat volstaan had moeten worden met een lichter middel, omdat eiser bereid was om te vertrekken naar Portugal en ook over een reisdocument beschikte. Verweerder dient (extra) zorgvuldig en terughoudend te zijn bij de inbewaringstelling van EU-onderdanen.
  8. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding werd gezien om een lichter middel toe te passen. Daarbij is van belang dat uit de gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd een risico volgt dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft kunnen overwegen dat eiser de gelegenheid om zelfstandig te vertrekken niet heeft benut en dat daaruit volgt dat eiser niet bereid was te vertrekken. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard terug te willen keren naar Portugal, maar dat hij geen geld heeft om te vertrekken. Verweerder heeft gelet hierop niet erop hoeven vertrouwen dat eiser op korte termijn zelfstandig zou vertrekken. De beroepsgrond slaagt daarom ook niet. Ambtshalve toets
  9. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig was. Conclusie
  10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  12. Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2020:
  13. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.